elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: kroelen

kroelen , kroelen , (intransitief werkwoord) , Dit woord wordt hier even als loeren en lodderen in eenen onschuldigen zin genomen, en beteekent als zoodanig niets anders dan dat kinderen zoowel als jonge dieren rustig en vreedzaan bij malkander liggen. Zie op de woorden, lodderen en loeren.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
kroelen , kroelen , kruien.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
kroelen , kroelen , (zwak werkwoord, intransitief) , Dicht tegen elkaar liggen of zitten; ineengedoken in bed liggen sluimeren. Steeds in onschuldige zin. Ook: warm liggen, van spijzen in de maag. || Laten we deres kroelen (van een moeder, die haar kind aanhaalt). We moeten mit de kou maar wat dicht bij mekaar kroelen. Ze leggen in bed te kroelen. Kijk, wat kroelen ze lief bij mekaar (van kleine kinderen). Och, laat ’er nog wat kroelen (liggen sluimeren), ze leit zo lekker. Hè, zo’n bord snirt (erwtensoep) kroelt in de buik! – Kroelen is ook verderop in N.- en Z.-Holl bekend en waarschijnlijk ook elders. In Friesl. betekent het bijna draaien. Bij HUYGHENS, Korenbl. 1, 480 komt het woord voor in de zin van krioelen. – Vgl. kroel en gekroel.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
kroelen , kroele , krule , werkwoord , Krioelen, dichtbij elkaar liggen of zitten.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
kroelen , kroele , werkwoord , Aanhalig, uitgelaten doen. Vgl. krolle.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
kroelen , kroelen , krulen , zwak werkwoord, onovergankelijk , (Zuidoost-Drenthe, Noord-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid). Ook krulen (Zuidwest-Drenthe, noord) = kringelen, kronkelend bewegen, kroelen Die auto jeug zo hard over de zaandweg, stof kroelt er achteraan (Nam), Ze harren de eerpelrangen in braand steuken, de rook kroelde over de weg (Bei), Het kroelt hier van de mieghummels krioelt (Hol), Het kind deur het haor kroelen (Zey), Gistern zaag ik mien buurjonge mit zien maagien op het achterweggien in het grös liggen kroelen (Mep), zie ook bij krullen, krioelen
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
kroelen , kroele , werkwoord , kroel, kroelde, gekroeld , zich koesteren, warmte zoeken De kippe zitte in ’t zonnechie te kroele De kippen koesteren zich in het zonnetje
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
kroelen , kroele , werkwoord , knuffelen (Tilburg en Midden-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal