elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: kroezel

kroezel , kroezel , m , kroezels, knoerels, knoerzels , kruisbes(sen); knoerzels [Wes]
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
kroezel , knoezel , zelfstandig naamwoord , kruisbes. Zegswijze: Hij vloog eròp af as ’nen haon op ’ne knoezelbòs. Vooral van toepassing op een vrijziek paartje.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
kroezel , knoesels , kruisbessen , Óns moeder die môkte van knoesels lékkere zjam, mér’rie was aalté te rap óp. Mijn moeder die maakte van kruisbessen lekkere jam, maar hij was altijd te vlug op.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
kroezel , kroesel , kroensel, knoesel, knoerzel , zelfstandig naamwoord , kruisbes (Den Bosch en Meierij); kroensel; kruisbes (Helmond en Peelland); knoesel; kruisbes (Eindhoven en Kempenland; Tilburg en Midden-Brabant); knoerzel; kruisbes (Land van Cuijk)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
kroezel , [kruisbes] , kroonsj , krónsjel , (vrouwelijk) , kroonsjele , kreunsjelke , kruisbes
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
kroezel , knoezel , zelfstandig naamwoord , "kruisbes (Ribes uva-crispa; ook: Ribes grossularia); Zèn de knoezels bè öllie al rèèp?; Daamen - Handschrift 1916:  ""knoezelen of kroezelen - kruisbessen""; Van Delft - - Wij plukken ""brem bezemen"" en ""knoesels"" en spreken van ""eenen houteren haomer"", die in eenen ""euregel"" klopt, daarmede bedoelend braambessen, kruisdorens, een houten hamer en een orgel.(Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 110; 20-04-1929); WBD III.2.3:175 'knoezel', 'kroezel' = kruisbes; ook 'knoersel'; Bosch kroesel - kruisbes; Hees knoezel, kroezel (IV:20); A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - kroesel, kroezel, knoesel, knoezel, knoerzel, kroensel - aalbes, kruisbes; Biks knoezel - zn - kruisbes; Antw. KNOESEL zelfstandig naamwoord.v.- stekelbezie, vrucht v.d. Ribes Uva-Crispa; Goem. KNOESEL - znw.vr. stekelbezie, meest in 't mvJ.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - KROEZELS worden, aan den Meijerijschen kant, de kruisbeziën genaamd, in het overige gedeelte der Baronie 'kruisdoorns'. Z.aK. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - KROESEL - kruisbes. Kiliaen heeft kroes-besie, kroeselbesieVerh KNOERZEL v., ook wel 'knoezel'; kroezel, kruisbesBont knurz?l/knurs?l znw.vr. knoerzel/knoersel' - kruisbes 'knuz?l' gehoord in EsbeekWNT KNOESEL - Bij vergelijking - tenzij het woord in dezen zin een vervorming is van KROESEL - een benaming in verschillende streken ten Z. van den Moerdijk voor de kruisbes en vervolgens ook voor de kruisbessenstruik, Ribes grossularia."
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal