elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: krullen

krullen , [gekruld zijn] , krollen , krullen , kronkelen.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
krullen , krōllen , (werkwoord) = krullen. Zie: krōl 2.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
krullen , krùlle , er erg aan toe gaan ’t Kult ’r stevig! Het gaat er op.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
krullen , krollen , krullen
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
krullen , krullen , 1. in uitdr.: ’t zal d’r um krullen = het zal er om spannen. 2. krullen.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
krullen , krullen , krullen, ekruld , 1. ’t zal d’r um krullen: het gaat spannend worden; 2. krullen.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
krullen , krullen , zwak werkwoord, (on)overgankelijk , 1. krullen Zij giet geregeld hen kapper um het haor te laoten krullen (Ruw), Dat haor van dat wicht wil niet krullen (Bal), Het gres krult de grond oet groeit snel (Hoh), Het wil geweldig meien, het krult der of (Sle), Wat rookt die man, het krult hum um de kop (Oos), Ze kunden de schörsteen wal in de brand hebben, de rook die krult er oet hevig roken (Sti), De starte begunt hum nou te krullen hij krijgt praatjes (Hgv) of Zij hebt een tied ehad det ze het krap harren, mar nou krult heur de starte gaat het hun goed (Dwij) 2. hard gaan (Zuidoost-Drents veengebied) Hij krulde op zien fieste naor het Oosterseveld, woor zien maaid woonde (Bco), Hij kan goed scheuvellopen, hij krult aover het ies (Hgv) 3. omkeren van zwaden (hy:Zuidwest-Drenthe)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
krullen , krullen , ’t krultr wir, het gaat er weer heftig aan toe.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
krullen , krullen , krullen
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
krullen , krulln , spannen. ’t Begint te krulln, ik bin ârg beniejd, hoe ’t of zal loopm.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
krullen , kroelen , werkwoord , kringelen, krioelen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
krullen , krulen , kroelen , werkwoord , rollen, van kleine ronde voorwerpen, zoals knikkers, noten, ballen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
krullen , krullen , werkwoord , 1. krullingen, krullende vormen hebben of doen hebben 2. een scherp, pijnlijk gevoel in de neus veroorzaken (waarbij iemand de tranen in de ogen kunnen springen)
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
krullen , krôlle , krullen
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
krullen , krulle , tekeergaan
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
krullen , krulle , werkwoord , spannen (Den Bosch en Meierij; Helmond en Peelland; Tilburg en Midden-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
krullen , krolle , kroltj, kroldje, gekroldj , krullen aanbrengen in het haar (bijvoorbeeld met krulspelden)
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
krullen , krulle , zwak werkwoord , krulle - krulde - gekruld , krullen maken; spannen; Frans Verbunt -  et zal er krulle! - het zal er spannen; Cornelis Verhoeven - krullen ww. - behalve in de zin van 'krullen maken' ook onpers. gebruikt in de uitdrukking  'het zal er krullen' - het zal er spannend toe gaan, er zullen klappen vallen. (Van een wateroppervlak dat rimpelt?); WNT KRULLEN c) 3) Oneigenlijk voort niet effen, niet kalm zijn, opgewonden zijn e.d.
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal