elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: kuilder

kuilder , kuilder , Zekere groote zich in de heide ophoudende vogel.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
kuilder , kölder , zelfstandig naamwoord , wulp (numerius). Rond de Flaes stikte het vroeger van de kölders. Ze legden meestal vier eieren in een költje. Daarvan is de naam afgeleid.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
kuilder , kölder , zelfstandig naamwoord , wulp (Tilburg en Midden-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
kuilder , kölder , zelfstandig naamwoord , "vogel: wulp (Numenius arquata); Daamen - Handschrift 1916:  ""kuilder - groote vogel uit de heide; hij legt eieren juist als die van de kievit maar viermaal zoo groot; bij het vliegen roept hij 'Tuureluut'""; zie zie tuureluut; Cees Robben - ...kölders die bij vennekes/ wè vruuten in ’t vuil... (19600708); WBD III.4.1:222 'kuilder' of 'wulp' - wulp (Numenius arquata) ook 'tureluut' genoemd. De wulp (Numenius arquata) is een grote waadvogel van 55 cm, die gemakkelijk te herkennen is aan de lange; omlaag gebogen snavel. Hij heeft een grijs-beige verenkleed en in de vlucht een opvallend witte driehoek op de rug. De zang klinkt jodelend. De wulp komt vrij algemeen voor in vochtig heideland en in moerassen en legt zijn eieren in een kuiltjeSch. KUILAART, een vogel in Westvl., ook nog zeesnep genoemd, en in de Kempen: kuilder, kluiter of kluter en zandlooper; in het Fr. heet hij: courli of pluvier doréBiks kölder zn - wulp (numenius): Rond de Flaes stikte het vroeger; van de kölders. Ze legden meestal vier eieren in een költje. Daarvan; is de naam afgeleidPierre van Beek: in: Het Nieuwsblad van het Zuiden - zaterdag 4 mei 1968, 'Eendegoor en Zwartven'. Over het Zwartven: ""...dan spreidt daar plotseling het grotendeels door bos omringde; Zwartven zijn waterspiegel voor u uit. (...) Het ven is ondiep; en valt menigmaal helemaal droog in de zomermaanden. Zolang dit niet het geval is, houdt er nog de kievit zijn vliegoefeningen, stappen er de kluut en de wulp op hoge poten langs de oever en roept in de lucht de grutto zijn eigen naam."""
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal