elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: kuis

kuis , koeze , (vrouwelijk) , Tw. knods, wandelstok met een dikken knop onder aan. Deze stok is onder de Drenthen en Twentenaars nationaal, en zeker geen stok beweegt zich gemakkelijker bij elken stap in het vooruitzetten, of is beter tot middel van verdediging.
Bron: Halbertsma, J.H. (1835), ‘Woordenboekje van het Overijselsch’, in: Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren 1836, Deventer: J. de Lange.
kuis , kuize , (vrouwelijk) , knikkert om te spelen. M. v. keuyen. Kil. kuysel.
Bron: Halbertsma, J.H. (1835), ‘Woordenboekje van het Overijselsch’, in: Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren 1836, Deventer: J. de Lange.
kuis , kuus , geheel leeg
Bron: Boers, B. (1843), [Goerees] ‘Lijst van eenige verouderde, of in de provincie Zuidholland niet gebezigde Nederduitsche woorden, welke op het eiland Goedereede en Overflakkee nog heeden in gebruik zijn’, in: Beschrijving van het eiland Goedereede en Overflakkee, Sommelsdijk, pp. 48-57
kuis , kuus , geheel leeg
Bron: Boers, B. (1843), [Overflakkees] ‘Lijst van eenige verouderde, of in de provincie Zuidholland niet gebezigde Nederduitsche woorden, welke op het eiland Goedereede en Overflakkee nog heeden in gebruik zijn’, in: Beschrijving van het eiland Goedereede en Overflakkee, Sommelsdijk, pp. 48-57
kuis , koes , (de oe gerekt) woord, waarmede men de koeiën roept of aanspreekt.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
kuis , kuisch , kusch , geheel, zonder overschot. , Dat boek isverbrand. Gij moet die portie kusch op
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
kuis , koeze , Boerenwandelstok, id. Overijselsch; een tamelijk lange stok, gewoonlijk van een eiken tronk afgescheurd en van onderen met een krommen dikken knoest of knobbel voorzien. Zoo’n knots heeft de landman in de hand, wanneer hij zich van huis begeeft en over weg of ter markt gaat. Kiliaan kuys, kuyse, knots, het Fransche massue; vergelijk Huydecoper, Melis Stoke, III, 82.
Bron: Buser, T.H. (1856-1861), ‘Geldersch Taaleigen’, in: De Nederlandsche Taal 1856, 1: 13-17, 163-188; 1857, 2: 194-217; 1858, 3: 271-278; 1859, 4: 186-197; 1861, 6: 61-68.
kuis , koeze , knuppel.
Bron: Ballot, A. (1870), Eigenaardigheden van het Twentsche dialect, uitgegeven in 1968, Hengelo.
kuis , kûze , (mannelijk) , sukkel.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
kuis , kûze , (vrouwelijk) , knods, stok.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
kuis , küize , (vrouwelijk) , knikker.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
kuis , kui , kuikalf (Ommelanden) = veerze (Oldampt Westerwolde) = kalf van het vrouwlijk geslacht, moederkalf, ter onderscheiding van: bōl, bōlle, bōlkalf. Drentsch kuikalf; Oostfriesch kökalf, en: bulkalf = koeikalf, en: stierkalf. Zie: bōlkalf. – Zegswijs: gijn kui of mui hebben = geene koe (of: koeien) houden, geen moeite meer met de melkerij hebben en zoodoende een stil en rustig leven leiden. Oostfriesch De hed gin kojen, hed ôk gîn mojen. Vgl. Spr. 14:4.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
kuis , kûze , (mannelijk, vrouwelijk) , Lompe, domme, ongemanierde jongen (of meisje).
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
kuis , kuis , Knikker. Over kuizen en sch(i)eeten (knikkeren). Zie mijn Feuilleton in de Dev. Cour. van 13 en 20 Juli ʼ94.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
kuis , kuis , Knikker. Over kuizen en sch(i)eeten (knikkeren) zie mijn feuilleton in de Dev. Cour. van 13 en 20 Juli 1894.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
kuis , kûze , (mannelijk, vrouwelijk) , Lompe, domme, ongemanierde jongen (of meisje).
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
kuis , küüssien , onzijdig , jonge koe, koetje
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
kuis , koeze , Knods. Zie Kiliaan op Kudse. [Koote koeze slaan: met ene koeze eene koote wegslaan als een ander die in den pot, eenen kuil wil drijven, jongensspel.]
Bron: Dumbar, G., H. Scholten en J.A. de Vos van Steenwijk Vollenhove (1952), Het Dumbar Handschrift – Idioticon van het Overijsels in het einde der achttiende eeuw, uitgegeven door H.L. Bezoen, Deventer
kuis , koeze , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , koezn , dom, dwaas mens
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
kuis , kuuske , jonge koe, kalf.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
kuis , kuis , helemaal. Die appel is kuis verrot.
Bron: Spek, J. van der (1981), Zoetermeers woordenboek, Zoetermeer.
kuis , kùis , bijwoord , helemaal, totaal. 1. Pas toen de brandspùit kùis versleejte waar wier d’r ’n ander ongezèt. 2. Ons moeder ha hònderd worstebrooikes gebakke en binne ’t ketier ware ze kùis òp.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
kuis , koes , koissie, kuus , tussenwerpsel , lokroep voor een kalf (KRS: Werk) Zie ook *kuus , betekenis 2.
Bron: Scholtmeijer, H. (1993), Zuidutrechts Woordenboek – Dialecten en volksleven in Kromme-Rijnstreek en Lopikerwaard, Utrecht
kuis , kojs , kojsien , tussenwerpsel , (Zuidwest-Drenthe, zuid). Ook kojsien (Zuidwest-Drenthe, zuid) = lokroep voor kalf
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
kuis , kos , tussenwerpsel , (Kop van Drenthe) = lokroep voor varkens of biggen
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
kuis , kuisien , kuis, keusien, keus, kuusie , het , kuisies , (Zuidwest-Drenthe). Ook kuis (Zuidwest-Drenthe), keusien (Zuidwest-Drenthe, noord, Zuidoost-Drents veengebied), keus (Midden-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid), kuusie (Kop van Drenthe) = nuchter vaarskalf Ie hebt een mooi kuisien ien het hokke (Ruw), (fig.) Wat ’n kuis van een vent, die hef nou nargens gien benul van sullige vent (Hav), zie ook kuiskalf
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
kuis , kuus , tussenwerpsel , uitroep waarmee men dieren verjaagt Hounder jaagt wie weg mit kuus, kuus (Bov), Kuus, katte (Ruw), zie ook keus, ks
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
kuis , kuus , kalf.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
kuis , kuus , koes , tussenwerpsel , geroepen om varkens, kippen, honden, koeien, schapen, kalveren weg te jagen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
kuis , keusien , zelfstandig naamwoord , et 1. kleine verwonding 2. koekalf
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
kuis , kuis , kuigien , zelfstandig naamwoord , de 1. nuchter vaarskalf, ook all. in kindertaal: kalf 2. sullig iemand
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
kuis , kuuis , tussenwerpsel , lokroep voor kalf en varken
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
kuis , kuis , bijvoeglijk naamwoord , in je kuis holen zich gemoedelijk, ingetogen opstellen, zich rustig en bedaard houden
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
kuis , kuis , tussenwerpsel , lokroep voor koeien, vooral voor kalveren of jonge koeien gebruikt
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
kuis , kuis , bijwoord , totaal Da’ diñchie is nied allêên kuis versleete, ’t is ôk kuis vrot Dat dingetje is niet alleen volledig versleten, het is ook volledig verrot Daer iste kuis drôôg Daar is de kelder kurkdroog Ook kuis en kuis door en door, volledig, meer dan totaal Da’ diñchie is kuis en kuis versleete en ôk nog is kuis en kuis vrot Dat dingetje is niet alleen volledig versleten maar ook nog eens volledig verrot Kuis en kuis drôôg Kurk en kurkdroog
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
kuis , kuis , zelfstandig naamwoord , kuize , kuisie , vrouwelijk kalf
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
kuis , kuis , helemaal , dè ding is kuis verrot dat ding is helemaal kapot, versleten
Bron: Gast, C. de (2011), ’t Boekske van de Aolburgse taol, Wijk en Aalburg: Stichting behoud Aalburgs dialect.
kuis , kuus , kies, kiessien, kuusje , 1.kalf; 2. koe; kies, roepwoord voor kalfjes (Apeldoorn).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
kuis , kèùs , kös , bijwoord , helemaal (Tilburg en Midden-Brabant); kös; helemaal (Eindhoven en Kempenland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
kuis , [lomperik] , kuus , (mannelijk) , kuse , kuuske , lomperik , Zoea eine stómme kuus höb ich nog noeats gezeen.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
kuis , kèùs , bijvoeglijk naamwoord , "helemaal, finaal, totaal; mooi, gaaf, schoon, zedig, kuis; 1. bijvoeglijk naamwoord; V en kèùs waogetje - een mooie auto; H. van Rijen (1988): en köös mèdje - een mooi meisje; WBD (III.3.3:359) kèùs = zedig; ook: nètjes; Hees kuis verslete (V:54); Antw. KUIS(CH) (uitspr.kös) - zuiver, rein, Fr. propre, in eigenlijken zin gebezigd. E glas kuisch water. 'Ne kuischen handdoek. 2. bijwoord; zen schoene waare kèùs versleete; J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - ... Zonderling is echter het gebruik, 'twelk men hier van KUISCH adverbialiter, even als elders van 'schoon' en 'zuiver', maakt. Z.a. Pierre van Beek, Tilburgse Taalplastiek (1964-1974): kèùs óp - helemaal op (b.d. voedsel); Frans Verbunt:  'kèùs op' finaal versleten; Daamen - Handschrift 1916:  ""kuisch - 't is kuisch versleten (geheel)""; Stadsnieuws:  'Die broek is kèùs op, ze valt bekaant van oe kont.'(041107); die stof is kèùs versleete... (Henriëtte Vunderink; Zoas ik et as kèènd beleefde; k Zal van oe blèève haawe, 2007); Verhoeven (1978):  KUIS (kö:s) bw - helemaal: kö:s verslete. Bont bijwoord 'kuis' - schoon, totaal, gans, heel en al. Jan Naaijkens, Dè's Biks (1988): 'kùis' bw - helemaal, totaal"
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal