elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: kukelhaan

kukelhaan , [haan] , kukelehane , haan. [Kinderwoord.] Eig. kukeloe-zinger. Hane = cano.
Bron: Halbertsma, J.H. (1835), ‘Woordenboekje van het Overijselsch’, in: Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren 1836, Deventer: J. de Lange.
kukelhaan , koekelhaan , Wel eens van eenen haan, om zijn gekraai.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
kukelhaan , kuukelekaantje , zelfstandig naamwoord , pinksterbloem (West-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal