elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: kwijlen

kwijlen , [zeveren, zeuren] , kwîlen , (zwak werkwoord) , kwijlen.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
kwijlen , kwielen , zwak werkwoord, (on)overgankelijk , kwijlen Awwe an het èten bint begunt de hond te kwielen (Eli), Klein kinder kwielt nogal veul as ze tanden kriegt (And)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
kwijlen , kwielen , kwijlen
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
kwijlen , kwieln , kwijlen.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
kwijlen , kwielen , werkwoord , kwijlen, zeveren
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
kwijlen , kwielen , (werkwoord) , kwielen, ekwield , kwijlen.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
kwijlen , kwiele , kwijlen, als iemand per ongeluk over z’n kleren kwijlt wordt gezegd: vuile kwielert', ’assie ’n borreltje teveul op éét dan begientie altij te kwiele
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
kwijlen , kwiele , werkwoord , kwijlen (West-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
kwijlen , kwijle , iemand zieken, dwarsbomen; kenne we ’m nie ’s effe goed kwijle?!
Bron: Grauw, Sibrand de en Gerard Gast (2014), ABC Dordt. Dordtse woorden en uitdrukkingen, dialect, verhalen en versjes, gedichten en straattypes, Asaprint Uitgeverij, Dordrecht.
kwijlen , kwèèle , zwak werkwoord , kwèèle - kwèlde - gekwèld , kwijlen; WBD III. 1.1:187 'kwijlen' - kwijlen; kwèèle - kwèlde - gekwèld, met vocaalkrimping; ook in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij kwèlt; kwèlt; kwijlt, kwijlde; tegenwoordige tijd 2e/3e pers. sing., verleden tijd van 'kwèèle', met vocaalkrimping
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal