elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: kwikkelen

kwikkelen , [schommelen, trippelen] , kwikkelen , schommelen, slingeren. Een kaartspel heet ook kwikkelen, wiegelen of wiggelen.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
kwikkelen , kwikkelen , (intransitief werkwoord) , trippelen, op een korten draf gaan, kwikkeldraf. Het paard loopt op een kwikkel.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
kwikkelen , kwikkelen , (zwak werkwoord, intransitief) , Dribbelen, op een drafje lopen. || Ze kwikkelen net as ganzen. ’Et peerd kwikkelt (loopt in de korte draf). – Evenzo in de Beemster (BOUMAN 62). Het woord behoort bij Ned. kwikken, heen en weer bewegen; vgl. DE JAGER, Freq. 1, 357. – Zie kwikkel, kwikkeldrafje.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
kwikkelen , kwikkele , werkwoord , Op een sukkeldrafje lopen.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
kwikkelen , kwikkele , werkwoord , waggelen. Op ’n kwikkel kunde kwikkele. ’n Tafel met ongelijke poten kwikkelt.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
kwikkelen , kwikkelen , werkwoord , zacht draven
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
kwikkelen , kwikkele , werkwoord , waggelen (Tilburg en Midden-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal