elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: laai

laai , laoje , (vrouwelijk) , laai.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
Laai , Laai , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , zie lei.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
laai , laaie , bijvoeglijk naamwoord , in de zegswijze laaie woorde geve, bakzeil halen, concessies doen. – Dat zel laaie woorde geve, dat zal harde woorden uitlokken, op verzet stuiten.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
laai , laaie , laaie koffie, slappe koffie.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
laai , laai , zelfstandig naamwoord , vlam (West-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal