elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: labboon

labboon , labbón , v , labbónne , labbóntjes , tuinbonen.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
labboon , labbòòne , zelfstandig naamwoord , tuinbonen. Een andere, minder gebruikte benaming is boeretêêne. Gedroogde labbòòne werden gebruikt bij het mitjesteejke (zie aldaar). Als iemand bij z’n tenen een gat in z’n sok had, zei men: “De labbòòne koome-n-öt!
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
labboon , làbòn , tuinboon.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
labboon , labbónne , tuinbonen , De labbónne zitte vol lûis, zó misselek érg hé'k dé nog nie meejgemôkt. De tuinbonen zitten vol luizen, zo ontzettend erg heb ik dat nog niet meegemaakt.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
labboon , labbôn , tuinboon
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
labboon , labbònne , tuinbonen
Bron: Peels-Mollen, J. met werkgroep Weerderheem in Valkenswaard (Ed.) (2007), M’n Moederstaol. Zôô gezeed, zôô geschreeve. Almere/Enschede: Van de Berg.
labboon , labwone , tuinbonen , lekker toch ééj, nuwe èèrepels lekker gebakke in botter, labwone en dan gebakke spek ’r bij = heerlijk toch, nieuwe aardappelen lekker gebakken in boter, tuinbonen en dan met gebakken spek erbij-
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
labboon , labbònne , groote bònne , tuinbonen
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
labboon , lommese bonen , pronkbonen.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
labboon , labbón , labboon , zelfstandig naamwoord , tuinboon (Eindhoven en Kempenland; West-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
labboon , labbôon , zelfstandig naamwoord , tuinbonen, vicia faba; 'boeretêene' 'knaawbôone', 'moffe(l)bôone'; WTT 2012 – de labboon, en dus geen verbastering van lap-boon; Lechim (ps. van Michel van de Ven; ongedateerd knipsel uit de Tilburgse Koerier – 1960-1980)
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal