elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: laf

laf , laf , (Marne 1828) = onkundig.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
laf , laf , Van het weer: zoel, loom. Van het eten: flauw. Zie ook: lak.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
laf , laf , verwaand. Nen laffen gek.
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
laf , laf , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , 1. laf Wat vind ik dat laf waj daor daon hebt (Exl), Wat een laffe streek (Dwi) 2. flauw Soep is aordig laf, daor mot een beetie zolt bij (And), Hie hef een laffe smaak in de mond (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
laf , laf , bijvoeglijk naamwoord , (Gunninks woordenlijst van 1908) 1. laf; 2. zie lak
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
laf , laf , bijvoeglijk naamwoord , 1. zonder moed, lafhartig 2. niet voldoende gezouten 3. zwoel, drukkend
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
laf , laf , bijvoeglijk naamwoord , flauw van smaak (Land van Cuijk)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
laf , laf , bijvoeglijk naamwoord , WBD III.4.4:29 'laf weer', 'lui weer' = benauwd weer
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal