elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: larie

larie , larie , beuzeling, gekkernij.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
larie , larie , (vrouwelijk zonder meervoud) , gekkernij, beuzeling, ijdel gesnap. Allemaal larie. Vroeger droegen de vrouwen jakken van lariebloemt gemaakt.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
larie , larrie , loarie , voor: gekheid, fopperij: da’s moar larrie = dat zijn maar praatjes, voorwendsels, bedenkigen die niets om’t lijf hebben, gij kunt dat niet ernstig meenen. v. Dale: larie (verouderd) = ijdele snapster, thans = beuzeling, zot geklap; larriefarrie = zottepraat, ijdel gekakel. Oostfriesch larie = kleinigheid, nietigheid; Nedersaksisch, Holsteinsch larifari = nietsbeteekenend gezwets.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
larie , larie , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , Zie de wdbb. – Ook: slordig, gemeen wijf, lor. || ’t Is zo’n larie. – Verder: vod, flard. || De laries hangen bij je lijf neer.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
larie , larie , zelfstandig naamwoord ’t , Soort katoen, ook wel Keuls larie genoemd, dat vooral gebruikt werd voor werkkleding van boerenmeisjes of voor kleding van arme kinderen. Dit katoen had een blauwe ondergrond die bezaaid was met bloemetjes of stippeltjes.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
larie , larie , de , 1. onzin, larie Der wordt een boel larie schreven (Pei), Dat is grote larie! (Pdh), Allemaol larie! (Row), Ik heb der larie an het kan me niets schelen (Pdh) 2. dikke vla van biestmelk (Zuidwest-Drenthe, zuid) Van de buunst weur vrogger vake larie emaakt, ie hadden stieve larie en larie mit gatties (Zdw), zie ook lariekoek
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
larie , larie , larie
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
larie , laerie , nonsens, larie. ’t Is allemaole laerie wat iej laot heurn.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
larie , larrie , zelfstandig naamwoord , slappe koffie (Eindhoven en Kempenland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal