elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: lawaaisaus

lawaaisaus , lawaaisaus , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , Een soort van saus, die door de arme bevolking over de aardappelen gegeten wordt. Meel, water, azijn en een weinig vet door elkaar gekookt. Synon. lollemansdoop; zie aldaar. – Zegsw. Kouwe drokte met lawaaisaus, onnodige drukte en bedrijvigheid. – Het woord lawaaisaus is ook elders gebruikelijk, b.v. in Holl. en in Overijsel.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
lawaaisaus , lawaoisaus , lewaoisaus , v , saus gemaakt met water en boter als ingrediënten; heel dunne saus of jus (saus van water met boter.)
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
lawaaisaus , lewaajsaus , zelfstandig naamwoord , dunne jus. Eèrepel meej lewaajsaus vormden in de donkere jaren aan het begin van onze eeuw het hoofdvoedsel van de armen. Zie de dramatische Aardappeleters van Vincent van Gogh. Honger is de beste saus. Zelfs bij deze povere kost was de pan aardappels al leeg vurdè de wòssem on de zulder waar. De schaal was al leeg voor de wasem het plafond bereikte ...
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
lawaaisaus , lewaaisausien , zelfstandig naamwoord , et; lawaaisaus
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
lawaaisaus , laowaoisaus , zelfstandig naamwoord , laowaoisauze , laowaoisaussies , weisaus (in WO II surrogaat voor botersaus, gemaakt van weipoeder) Zie ook dôôp, zuuren dôôp, ôôchiesvet; laowaoisaus van overdijk Meer naam dan daad (deze saus werd aan de andere kant van de dijk gehaald, slootwater dus)
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
lawaaisaus , lawaajsaus , lawaajsop , waterjus, watersaus, jus/saus die voor het merendeel uit water bestond
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
lawaaisaus , lewaaisaus , zelfstandig naamwoord , waterige saus (Tilburg en Midden-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
lawaaisaus , lewaajsaus , lawaajsaus , zelfstandig naamwoord , "WTT 2012 – het woord is waarschijnlijk gevormd naar aanleiding van het geluid dat de hete jus maakt zodra water wordt toegevoegd (blussen). Kees en Bart (ca. 1925; in Tilburgsche Post) – 'matskoppen van aaw errepuls mee lawaaisaus'; Pierre van Beek – …en ""lawaaisaus"" is het afgietsel van de aardappelen, dat vroeger in de arme gezinnen als saus gebruikt werd. (Tilburgse taalplastiek 15 Nieuwe Tilburgse Courant – maandag 5 juni 1950); Pierre van Beek – Vroom waren ze wel, die Tilburgse wevers rond 1830. En arm misschien nog meer. Dat gold zowel voor de thuiswevers als voor degenen, die op de fabrieken werkten. Een dagloon van 75 cent per uur betekende al heel wat. Geen wonder, dat het 's middags nogal eens vaak ""aardappelen met lawaaisaus"" was. Met deze weidse sausbenaming camoufleerde de volksmond het water, waarin de aardappelen (uit eigen hof) gekookt waren. (Uit: Het Nieuwsblad van het Zuiden - zaterdag 21 december 1968 - 'Nederlands Textielmuseum staat midden in de actualiteit.); Pierre van Beek – ... aardappels met ""lawaaisaus"", een alledaags weversgerecht. Deze saus bestond uit niets anders dan het water, waarin de aardappels gekookt waren. Ook sprak men wel van ""lawaaisoep"" waarin het element water eveneens de hoofdrol speelde. (Tilburgsche Taalplastiek 24-6-1964); De Wijs – ’t is vlees van den bakker (gehakt met veel brood) mee lawaai-sju (17-08-1964) ['vlees van de bakker' werd ook gebruikt voor 'worstenbrood'] ; Frans Verbunt:  'lewaajsaus' - met water aangelengd vleesnat; Vgl. Van Dale XI: lawaaisoep (dunne, magere soep); Jan Naaijkens - Dè's Biks – 'lewaajsaus' zelfstandig naamwoord  - dunne saus; Lewaajsaus; Op Vrèddag wier gin vlêes gegeete; aanders didde en grôote zonde. Ok zjuu öt vlêes môogde nie eete. Daor is toen iets op gevonde. Waoter in en pan gedaon; waor ok kneut in was gegaon. Dè wier saome dan gekokt; èn dòrnao meej bloem gebonde. Van vroomheid hak bepòld gin laast; mar wè hèb ik Vrèddags dik gevaast!; (Henriëtte Vunderink, uit: Tis de moejte wèrd; 2011); Internet 2012 – 'Recept: Lawaaisaus nep-jus – doet me denken aan mijn moeder die - als er geen vlees was, maar ze wel jus wilde hebben, lawaai-saus ging maken. Klont margarine in de koekepan, bruin laten worden, half maggiblokje en/ of fikse scheut ketjap doorroeren en afblussen met water. (www.tournedos.nl/sauzen/); J.P. Stam-Dresselhuys – BRUINE BONEN MET LAWAAISAUS Grootmoeder klopte een paar eieren in de juspan, schonk daar wat melk bij, liet het aan de kook komen (het ei mocht schiften, vandaar ook de naam kloddersaus) en bond de saus met aardappelmeel. Later spekvet en het bruine bezinksel van spek er op. Hier worden aardappels bij gegeven, gebakken spek en in de zomer sla. Uit de Achterhoek. (Oudnederlandse streekresepten; 1980); J. Jobse-Van Putten – Het hoeft nauwelijks betoog dat men de ideale saus vroeger niet gauw te vet vond. Aan puur of 'klaar' vet kende men de hoogste waardering toe. Vooral bij de armeren was de saus echter vaak niet meer dan 'lawaaisaus', ook wel 'oogjesvet' genoemd... (Eenvoudig maar voedzaam, Cultuurgeschiedenis van de dagelijkse maaltijd in Nederland; 1995) [zie voor 'oogjesvet' ook Stoll en De groot hieronder bij 'lewaajsoep']"
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal