elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: lebberen

lebberen , lebberen , lubberen , (zwak werkwoord, intransitief) , Daarnaast soms lubberen. Slurpen, met kleine teugen drinken, sabbelen. || Zit niet zo te lebberen, drink je glas leeg. Jantje heb zeker gien trek meer, hij lebbert maar wat an me borst. Ze waren zo lekker an ’t lubberen. – Ook sabbelend zoenen. || Ze zitten maar aldeur te lebberen. – Het woord is ook in het Stad-Fri. gebruikelijk (O. Volkst. 2, 181) en komt een enkele maal ook in de schrijftaal voor; zie DE JAGER, Freq. 2, 331. Meer gebruikelijk is daar echter lepperen, zie ald. 339. Vgl. ook FRANCK op lebben en leppen.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
lebberen , lèbbere , likken Uutlèbbere Uit likken tot het laatste restje.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
lebberen , lebbere , lubbere , werkwoord , Slobberen, slurpen met de snavel. | De eende lebbere an ’t kroôs.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
lebberen , lebben , lebberen , werkwoord , lebberen: slobberen, bijv. van koffie; ook door oude mensen die eten en geen tanden en kiezen meer hebben; ook: uitlikken met de tong
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
lebberen , lebbere , werkwoord , lebber, lebberde, gelebberd , lubberen De gurdijne lebbere
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
lebberen , lebbere , likken, zuigen, sabbelen , zit n’n njeelen dag toch nie zo aon diejen zuurbal te lebbere = zit de hele dag toch niet zo aan die zuurbal te likken/zuigen-
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
lebberen , lèbbere , sabbelend kussen
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
lebberen , lebbere , werkwoord , lubberen (West-Brabant) ; lebbere; likken (Land van Cuijk)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
lebberen , lèèpere , zwak werkwoord , lèèpere - lèèperde - gelèèperd , "lebberen; bij het rikken met opzet een aas achterhouden = lèètere; Daamen, Handschrift 1916 ""laipere - het laipert, stof die op ongewenschte wijze uitgerekt is""; Stadsnieuws: Die trui is aoreg versleete, ze begient òn alle kaante te lèèpere. – Die trui is best wel versleten: ze begint aan alle kanten te lubberen. (270610); WBD III.4.4:210 'lijperen' = kleverig worden; ook 'lijpen; WNT LIJPEN (I) - A1) Lijp zijn, scheef zijn, verkeerde plooien of vouwen vertoonen; 2) uitrekken, langer of wijder worden; LEIPEREN (Antw. ) = lijpen; Antw. LIJPEREN, LEIPEREN onoverg. - freq.van 'lijpen' - valsche plooien hebben, beurzen, lobberen (van kleederen). Wordt ook gezegd van bier, wanneer het bij 't schenken dik en olieachtig schijnt. Fr. filer, graisser. Hees lebbere (VIII:48)"
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal