elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: leewieken

leewieken , leewiekke , kortwieken.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
leewieken , leewieken , laaiwieken , zwak werkwoord, overgankelijk , (Midden-Drenthe, Zuid-Drenthe, Kop van Drenthe). Ook laaiwieken (Veenkoloniën) = leewieken, het laatste vleugellid wegnemen Leewieken is hier het puntie van de vleugel ofbreken bij een ente (Zdw), Wij moet die hoender maor leewieken, ze vliegt oes aal over het gaos (Bor)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
leewieken , leùwieken , kortwieken.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
leewieken , leewieken , werkwoord , 1. kortwieken 2. de macht ontnemen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
leewieken , leewieken , kortwieken.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
leewieken , leewieke , werkwoord , kortwieken (Den Bosch en Meierij; Land van Cuijk)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
leewieken , leewieke , zwak werkwoord , WBD (Hasselt) kortwieken, leewieken; Zie WNT 'leewieken' = kortwieken (bij vogels)
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal