elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: lerpen

lerpen , lerpen , (zwak werkwoord) , Likken, sabbelend zoenen. Synon. lemmeren, zoemelen. Vgl. lerp. || Wat zitten die twee daar weer te lerpen. – Vgl. oplerpen.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
lerpen , lèrrewe , werkwoord , slurpen (Eindhoven en Kempenland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal