elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: leut

leut , leut , vermaak
Bron: Boers, B. (1843), [Goerees] ‘Lijst van eenige verouderde, of in de provincie Zuidholland niet gebezigde Nederduitsche woorden, welke op het eiland Goedereede en Overflakkee nog heeden in gebruik zijn’, in: Beschrijving van het eiland Goedereede en Overflakkee, Sommelsdijk, pp. 48-57
leut , leut , vermaak
Bron: Boers, B. (1843), [Overflakkees] ‘Lijst van eenige verouderde, of in de provincie Zuidholland niet gebezigde Nederduitsche woorden, welke op het eiland Goedereede en Overflakkee nog heeden in gebruik zijn’, in: Beschrijving van het eiland Goedereede en Overflakkee, Sommelsdijk, pp. 48-57
leut , leut hebben , lut hebben , Bij de minder beschaafden gebruikelijk in den zin van pret hebben.
Bron: Bisschop, W. (1862), ‘Het Dordsche taaleigen. Bijdrage tot de kennis der Hollandsche dialekten’, in: De Taalgids 4, 27-48.
leut , löte , Schik, jool, lol. Lötig – prettig. Ook W.-Vl.; N.-Br. leut; Limb.luit. O. V. I p 213, II p. 223.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
leut , leut , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , 1) Pret, pleizier. Alleen in verbinding met hebben. || Ik heb van me leven zo’n leut niet ’ehad as toe (toen). – Het woord is ook elders in Holl. gebruikelijk, b.v. te Dordrecht, waar men van leut of lut hebben spreekt (Taalgids 4, 39), en op Overflakkee (Sch. t. W. 1, 158). In Vlaand. zegt men leute hebben en om de leute, voor de grap (SCHUERMANS 335), in Zeeuws-Vlaand. ook voor de leute en uit de leute (VAN DALE). 2) Koffie en melk door elkaar gekookt; opgewarmde koffie. – Soms ook verse koffie. || Wil-je nag ’en koppie leut? – Leut met sas, koffie, melk en suiker door elkaar gekookt, welke betekenis ook wel aan leut alleen wordt gehecht. – Leut met hippies, (verse) koffie met suiker (oorspronkelijk met kruitjes). – Dit leut zal wel hetzelfde woord zijn als het vorige. Vgl. troost, dat eveneens een benaming voor koffie is. – Te Haarlem zegt men: “kom-je eens een leutje bij me drinken (d.i. koffiedrinken)”? – Vgl. koffieleut.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
leut , löte , Schik, jool, lol. Lötig – prettig. Ook: W.-Vl.; N.-Br. leut; Limb. luit. O. V. I, p. 213, II, p. 223.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
leut , leut , v , koffie ’n Bekske leut Een kopje koffie.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
leut , leut , zelfstandig naamwoord de , 1. Koffie. | Geef moin maar ’n bakkie leut. 2. Iemand die veel koffie drinkt. | Wat bè je toch ’n leut, da’s je vierde koppie al. Het woord zal wel hetzelfde zijn als leut = plezier, genoegen, hier: het genoegen dat men aan het drinken van een kopje koffie beleeft. Vgl. ’n bakkie troost.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
leut , leujt , zelfstandig naamwoord , plezier, koffie. 1. Dit is van oorsprong een typisch West- Brabants woord, maar is ook hier ingeburgerd. Agge mar leujt hèt is een bekende Carnavalskreet. 2. Met ’n bèkske leujt is een kopje koffie bedoeld. Deze van oorsprong Zuidnederlandse begrippen zijn ook boven de rivieren ingeburgerd.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
leut , leut , de , 1. koffie Doe mij nog mor een bakkie leut, dan blief ik nog een toertie zitten (Eex) 2. beetje, kleine hoeveelheid (Zuidoost-Drents veengebied, Midden-Drenthe) Doe mij der nog mar een leutie in (Klv) 3. borrel (Zuidoost-Drents veengebied, Zuidwest-Drenthe, noord) Achter de koffie kregen wij nog een leutie (Dwi), zie ook neut
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
leut , leut , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , (Kop van Drenthe) = aangeschoten, dronken Van teveul neuties woj leut (Nor)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
leut , leut , zelfstandig naamwoord , leute , leutjie , [O] 1. pret Ajje mar leut het 2. opgewarmde koffie Hebbie al leut gehad? Heb je al koffie gehad? ’n Bakkie leut Een kop koffie
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
leut , leut , koffie , ’n lekker bakske leut = een lekker kopje koffie- ;
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
leut , leut , plezier, lol , leut maoke = plezier, lol maken-
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
leut , leut , zelfstandig naamwoord , plezier (West-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
leut , leut , zelfstandig naamwoord , plezier, koffie; Frans Verbunt:  en tas leut - een kop koffie; WBD III.1.4:188 'leut' = vermaak; 191 'leut' = vreugde ;'leutig' - vrolijk; A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - leut (= pleizier) (krt.99); Cees Robben – Ik lèèfde louter vur de leut..  (19600415); Cees Robben – Luste ôôk ’n bekske leut... koffie lut... (19870213); Jan Naaijkens - Dè's Biks – leujt zelfstandig naamwoord , plezier, koffie; Str. leut (2:54); WNT LEUT (II). In min of meer platte taal in Holland een naam voor koffie in 't alg.
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal