elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: levend

levend , levend , leavend , leven, allarm, ook Gron. ; in: van oez levend neet = nooit, nimmer; oe leavend zoo neet! = je leven zoo niet! nooit zoo gezien!
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
levend , levende , zelfstandig naamwoord meervoud , in de zegswijze de levende moet je zoene, voor de dooie moet je bidde, vaak schertsend gebruikt als motivering om één of meer personen te zoenen.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
levend , lèèmds , levends; * zie hebt wat lèèmds ekreeng: bij hen is een kind geboren.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
levend , levend , bijvoeglijk naamwoord , 1. levend, in leven zijnd 2. voorkomend, in gebruik
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
levend , [tegenover dood] , livvend , levend , ’t Veej is livvend verbrand. Het vee is levend verbrand.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
levend , léévend , zelfstandig naamwoord , linnengoed (Eindhoven en Kempenland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
levend , laevendj , levend , De kat itj de moes laevendj op. Doead of laevendj.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
levend , laevende , levende
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal