elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: lichtelijk

lichtelijk , lichtelek , nogal gemakkelijk.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
lichtelijk , lichtelijk , bijwoord , 1. in lichte mate Hij was lichtelijk aanschoten (Ros), Dat is lichtelijk overdreven wat ze daor vertelt (Oos) 2. wellicht, misschien (Zuidoost-Drenthe, Kop van Drenthe) Hij hef mie het wal beloofd, mar lichtelijk hef e der nich weer an dach (Bov), Ze zullen lichtelijk wal gauw es kommen (Row)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
lichtelijk , [min of meer, waarschijnlijk] , lichelijk , waarschijnlijk, misschien. hij kan nogal lichelijk, hij kan gemakkelijk.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
lichtelijk , liechelek , waarschijnlijk , Ik héb 'r wél hoop óp dé, dé klaorkömt, jé, jé dé zal liechelek wél goed komme. Ik heb er wel hoop op dat dat klaarkomt, ja ja dat zal waarschijnlijk wel goed komen.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
lichtelijk , lichtelik , bijwoord , 1. lichtelijk, enigszins, in enige mate 2. waarschijnlijk, wellicht, met grote kans
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
lichtelijk , lichelek , waarschijnlijk
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
lichtelijk , liechteluk , misschien, waarschijnlijk , wanjeer komde nou is ne kjeer langs? nou da’ w’ik nog nie, mar liechteluk `n dèstag al = wanneer kom je eens ’n keertje langs? nou dat weet ik nog niet, maar misschien dinsdag al- wanjeer gaode verhuize? liechteluk in ’t vurjaor al = wanneer ga je verhuizen? waarschijnlijk in het voorjaar al-
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
lichtelijk , lichelek , altijd wel, gauw, gemakkelijk, lichtelijk , D’r blè lichelek iejt van hange. Daar blijft altijd wel iets van hangen., ’t Is hum nogal lichelek te veul. Het is hem nogal gauw te veel.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
lichtelijk , liggelik , bijwoord , allicht (Helmond en Peelland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
lichtelijk , [vermoedelijk] , lichtelik , vermoedelijk , Dae wètj t’r lichtelik mieër vanaaf.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
lichtelijk , lichelek , bijwoord , lichtelijk, allicht, enigszins; C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal – lichelijk, bw. lichtelijk, wat naar alle waarschijnlijkheid zal gebeuren of wat op grond van ervaring te verwachten is: 't is lichelijk wè - er gebeurt altijd wel iets. A.P. de Bont – bijwoord  lichtelijk - 1) gauw, spoedig, gemakkelijk; 2) (hoogst-)waarschijnlijk, vermoedelijk.
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal