elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: lidderen

lidderen , [trillen] , lidderen , (intransitief werkwoord) , lillen, schudden. Zachte trillende beweging maken.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
lidderen , lidderen , (zwak werkwoord, intransitief) , Lillende heen en weer bewegen, trillen, beven. || Ik most zo lachen, dat de darmpies in me lijf lidderden. De grond liddert as er ’en kar voorbijgaat. As je op die dijk danse (danst), dan liddert-i. Zit toch stil, de tafel liddert. De pudding is zo slap, dat-i lidderen ken. Hij zat te lidderen op zen stoel (van de koorts). Hij lidderde van de kou. – Evenzo elders in N.-Holl. (Navorscher 6, 332; BOUMAN 63). – Vgl. golfje-lidder doen, ijsje-lidder-doen.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
lidderen , liddere , werkwoord , Lillen, trillen bibberen. | Ik sting te lidderen op m’n biene.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
lidderen , liddere , werkwoord , bibberen (West-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal