elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: lindeboom

lindeboom , leendeboom , mannelijk , lindeboom
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
lindeboom , leennboom , zelfstandig naamwoord , lindeboom
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
lindeboom , lindenboom , lindeboom , de , (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe). Ook lindeboom (Zuid-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, Noord-Drenthe) = lindeboom In de bluuisels van lindebomen zit een boel hönnig (Klo), Een doef nusselt niet in een iekenboom, wal in een lindenboom; een lindenboom brengt geluk (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
lindeboom , lijndenbòm , lindeboom.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
lindeboom , liendeboom , (Gunninks woordenlijst van 1908) lindeboom
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
lindeboom , léndenbóóm , lindeboom , Ónder de léndenbóóm is't goed zitte én és'sie bloejt dan ruukt 't zó lékker. Onder de lindeboom is het goed zitten en als hij in bloei staat dan ruikt het zo lekker.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
lindeboom , liendeboom , lieneboom , zelfstandig naamwoord , de 1. lindeboom 2. weesboom 3. hetz. als liendepaol
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
lindeboom , liendebwôôme , lindebomen
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
lindeboom , lindenbòm , lindeboom. Er staat een grote, inmiddels tot prieel geknotte, eeuwenoude lindeboom aan de Berg in Nuenen.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
lindeboom , liendeboom , linde.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
lindeboom , leinenbóm , zelfstandig naamwoord , linde (Helmond en Peelland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
lindeboom , linjeboum , (mannelijk) , lindeboom , Eine linjeboum geuftj nöttigheid es t’r bluutj, mer ruuktj waal lekker!
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
lindeboom , lèndenbôom , zelfstandig naamwoord , de Lindeboom (op de Heuvel te Tilburg) (Tilia) (wsch. 8 eeuwen oud); Kees en Bart (ca. 1925; in Tilburgsche Post) – de lèndebôom; Cees Robben – De blaoikes van den lendenbôôm... die hebben veul geheurd... (19540522); Irst hamme den aawe lèndenbôom. Dè waar ôot ene grôote, schôonen bôom, ak de teekeningen èn footoos maag geleuve. (Tillie B.: pseudoniem van Nicole van Wagenberg; uit een column van haar website ‘Tilburgs Taolbuuroo’, 2012); Op Den Heuvel is deeze week ene nuuwe lèndenbôom geplaant. (Tillie B.: pseudoniem van Nicole van Wagenberg; uit een column van haar website ‘Tilburgs Taolbuuroo’, 2012); Dirk Boutkan:  lèndenbôom - linde (blz. 21); WBD III.4.3:140 lèndenbôom - linde (Tilia), ook genoemd: lènde; A.P. de Bont – zelfstandig naamwoord m. lendenboom d.i. lijndenboom - lindeboom; WNT LINDEBOOM zelfstandig naamwoord m. Mnl. lindeboom; uit LINDE en BOOM. Daarnaast LINDENBOOM waarin 'linden' soms als bijvoeglijk naamwoord  zal bedoeld zijn.
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal