elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: loert

loert , loert , (zelfstandig naamwoord) , Leverworst. || Laten we ’en pond loert kopen. Ik zel ’en end loert voor je meenemen. Wat is die loert lekker. Ook: een soort gemene leverworst; ook wel hondeloert genoemd, omdat deze aan honden wordt gegeven. – Het woord is hier en daar ook elders in Holl. gebruikelijk. – Vgl. Fri. loárte, keutel (HALBERTSMA 821), Oost-Fri. lurd, lûrt, drek, nietswaardig iets, in de Noordse talen lort, drek, vuil, ontuig. – Zie loertkraam.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
loert , loert , zelfstandig naamwoord de , Leverworst (verouderd). Vgl. Boek. onder loert.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
loert , loert , zelfstandig naamwoord , loerte , loerties , [O] leverworst Ik zel een end loert voor je meebrenge (in deze betekenis zelden gebruikt, meestal schertsend gebruikt voor ’drol’)
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
loert , loerd , zelfstandig naamwoord , leverworst (West-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal