elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: loet

loet , loud , loet, ovenkrabber. West-Vlaamsch: loek = ijzeren ovenkrabber. (De Bo).
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
loet , loet , vgl. poeteloet.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
loet , loet , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , Laaggelegen, slecht land (Krommenie). || Je moete der niet veul voor geven; ’t is maar ’en loet. – Ook als naam van verscheidene stukken land, welke die eigenschappen bezitten. || Te Krommenie: Item twee gherse in die loet, Hs. v. Egmond B, f° 9 v° (a° 1355). Een stucke lants gelegen inden ban van Crommenie, genaemt die loet (bij den Klamdijk), Hs. U. 137 (a° 1598), prov. archief. De loet van Pieter Poulusz (in de Kerkbuurt), Polderl. Kromm. (a° 1665), f° 82. De loet en de loetakker (idem), ald. (a° 1764), f° 145. – Te Assendelft: Twee vijffde paerten van de loedten, Polderl. Assend. I f° 27 r° (a° 1599). Die loeten int Zuytendt, ald. f° 122 r° (a° 1600). – Bij O.-Zaandam, buitendijks: de groote loed, Polderl. Oostz. I (17de e.) Nog rietlant in de loet, groot 422½ roed, Custb. (a° 1741). – Het woord is ook elders in Holl. bekend. Zo heet b.v. een stuk land onder Dorregeest (bij Uitgeest) aldus. Verder is de Loet een der vier hoofdbuurten van Schagen, terwijl een gedeelte van Hazerswoude de Loeten is genaamd. – Vgl. voor de Middeleeuwen: Dat sevende deel in Willaem Arnouts sones loete (onder Beverwijk, 13de e.), Hs. v. Egmond, f°19 v°. Item twee loeten bider windmolen dune (nabij Egmond, a° 1358), Hs. v. Egmond B, f° 3 v°. Een acker zeedlants by Durven loet (in Kennemerland, a° 1466), Hs. v. Egmond E, f° 24 r°. – Het woord komt ook buiten Holland voor; zo heet b.v. ook een buurt van Ulrum (in Groningen) de Louten (MOLEMA 250).
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
loet , loud* , Nederlandsch loet.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
loet , loet , zelfstandig naamwoord de , Verouderde aanduiding voor laaggelegen, slecht land. Vgl. Boek. onder loet (I).
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
loet , loet , loete, loute, lout, loot , de , loeten , (Midden-Drenthe, Kop van Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid). Ook loete (Zuidwest-Drenthe), loute (Kop van Drenthe, Zuidoost-Drents veengebied), lout (Kop van Drenthe), loot (Kop van Drenthe) = 1. bakkersgereedschap Oet de oven weurden de stoeten met de loute naor heur tou trokken (Nor), Een loet of aovenkrabber die worde gebruukt um het vuur uut de aovend te halen (Hgv), As de naovend uut ebraand was, dan wurd hij schone maakt mit de loete, een lange stok mit een veile der an (Koe) 2. schop (Zuidwest-Drenthe, zuid) Die loete kenne wij as schippe bij het graven van törf uut een vènegat (Stu)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
loet , lodde , lorre, lotse, loetse , de , lodden , (Veenkoloniën, Zuidwest-Drenthe, zuid, Zuidoost-Drenthe, Kop van Drenthe). Ook lorre (Kop van Drenthe, Veenkoloniën), lotse (Zuidoost-Drents veengebied), loetse (Zuidwest-Drenthe, zuid) = fopspeen Dat kind lop nog altied met een lorre in de mond (Row), Een loddegien mit wat suker en een beetien braandewien; het venevolk deu dat vrogger mit de kiender in de krulewagen en mit deupen in de karke deuden ze dat ok, dat de kiender slaoperig weurden (Zdw)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
loet , lodde , zelfstandig naamwoord , de 1. hooigraaf 2. spade 3. fopspeen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
loet , loede , loete , zelfstandig naamwoord , de; ovenkrabber
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
loet , loet , zelfstandig naamwoord , loete , loetjies , [O] 1. pook voor een bakkersoven 2. werktuig om aardappelen aan te aarden Ik mot teuze errepelbeddest nog mette loet bewerreke Ik moet deze in rijen gepote aardappelen nog aanaarden 3. schuifschoffel
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
loet , loete , zelfstandig naamwoord, meervoud , nukken, streken (West-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal