elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: lopens

lopens , loopens , loopense = een zesde deel van een bunder lands. Deze landmaat is hier algemeen in gebruik.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
lopens , leùpes , zelfstandig naamwoord , lopens. In onbruik geraakte oppervlaktemaat. ’n Leùpes was ongeveer 1/6 hectare.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
lopens , lôôpes , bijwoord , te voet, lopend Lôôpes over durp Te voet over het dorp ’k Bin lôôpes van De Maes gekomme, m’n fiets was lek Ik ben lopend van Westmaas gekomen, mijn band was lek
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
lopens , loopes , lwoopes , bijwoord , te voet (Den Bosch en Meierij; Tilburg en Midden-Brabant) ; lwoopes; te voet (West-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
lopens , lêûpes , zelfstandig naamwoord , lopens; WBD een half hond (oppervlaktemaat); Verhoeff: morgen (0,99 ha) = 6 lopens/hond (van 0,165 ha); roede (à 33,06 m2). Zie ald. Jan Naaijkens - Dè's Biks – 'leùpes' zelfstandig naamwoord  - lopens (oppervlaktemaat); A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - leupese, lopsel, loopsaat - bep. landmaat (Meierij, Antw. ); lupse; landmaat (± 1/6 hectare), loopzaad; zie ook 'lêûpes'; Cees Robben – Ik heb unne tuin van twee lupse... (19821220); Verhoeff: morgen (0,99 ha) = 6 lopens/hond (à 0,165 ha); (à 33,06 m2) Zie ald. Audioregistratie 1978 - Gij hèt et nouw oover enen buunder, hè, mar ge had vroeger lupse èn ge had en roej ôok, hè. Dè waare ok maote van, van die dingen, hè. En roej èèrappel, ik weet nie hoe, was dè gin aacht meeter òf zôo? Zeuve, zeuve meeter zeuvenentaacheteg! Èn, èn, èn, èn, èn lupse? En lupse was en zisde pòrt van enen hèktaare!” (Interview met Heikanters - Transcriptie door Hans Hessels); WBD III.4.4:153 'loopse' = drijfzand; A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - leupese, lopsel, loopsaat - bep. landmaat (Meierij, Antw. ); A.P. de Bont – lö.p?s?, zelfstandig naamwoord o. leupese, lopense,- benaming v.e. zekere landmaat, 1/6 ha. A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - 'leup?sa/luip?s? (blz. 148); J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - LOOPZAAD. Zekere landmaat. Z.a. LOOP, LOPE. Eene loope lands is bij Kiliaan hetzelfde als eene zille, honderd roeden. Z.a. K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - LOPENSAAT: ene maat doorgaans van vijftig roeden, maar op sommige plaatsen ook wel van dertig roeden. Z.a. IDEM: ene droge maat, houdende een vat. Uitspraak: lopense.
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal