elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: louw

louw , louw , "zeelt; zekere visch."
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
louw , louw , in het kinderrijm: “Louw, louw, trek an ’t touw, over ’en week is ’et kerremis”, dat gezongen wordt door een aantal kinderen die tegen kermis aan een lang touw heen en weer lopen. – Als eigennaam; zie een zegsw. op binnen. – Evenzo elders in N.-Holl. – Waarschijnlijk is louw niets anders dan de verkorte mansnaam Louw, d.i. Louwerens, Laurentius, en alleen gekozen omdat hij rijmt op “touw”. Van enige betrekking tussen de H. Laurentius en de kermis blijkt niets. Dat louw zou komen van het werkwoord louwen, lauwen, grijpen, beetpakken, is zeer onwaarschijnlijk; het woord is in het Mnl. zeer gewoon, doch het kan niet aangetoond worden, dat het ooit in N.-Holl. in gebruik is geweest en dus in dit rijmpje kan zijn blijven voortleven.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
louw , louw , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , Bij vissers. Een der benamingen voor zeelt. – Zie synon. op zeelt. || We hebben niet veul louwen ’evongen. – Het woord is gewestelijk ook elders bekend; blijkens SCHLEGEL, De Visschen 102 b.v. in de Betuwe. Ook KIL. vermeldt: “louwe, j. lauwe, tinca piscis”. Het woord komt verder in verschillende Ndd. en Hgd. dialecten voor; zie FRANCK en VERCOULLIE op louw.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
louw , lauw loene! , louw-loene , v , [D. für lau Löhne] niks pro deo, zonder betaling; tevergeefs, voor niets.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
louw , louw , m , zeelt.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
Louw , Louw , mannennaam. Te Schermerhorn zongen lang geleden de kinderen op zondag vóór de kermis (de tweede zondag in juli), terwijl ze in een lange rij aan een touw liepen, het volgende liedje: Louw, Louw, trek an je touw, vandaag ’n week is ’t kerremis, zie hoog op, zie laag op, laat je gatje dan maar gaan, een donderdag is ’t gedaan.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
louw , low , zeelt. (vis)
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1989), È maes inne taes. Plat Hôrster, Horst.
louw , louw , louw mak: niet gemakkelijk, weet niet van wijken; louw met de pook: dat doe ik vast niet.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
louw , louw , zelfstandig naamwoord , zeelt (vis) (Den Bosch en Meierij; Tilburg en Midden-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
louw , louw , zelfstandig naamwoord , sufferd, onoplettend iemand; niets; Wè zèède tòch ene louw!; Cees Robben – ’t brengt louw op... (19870619); Cees Robben – D’n dikke die zeej dettie louw hô gevangen [bij het vissen] (19590801); Cees Robben – Bij ons sôôrt daor vangde louw/ Om detter toch niks zit... (19611020); Henk van Rijen – 'laaw' - sufferd, iemand die niet wijs is
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal