elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: lui

lui , looi , laf, flaauw
Bron: Boers, B. (1843), [Goerees] ‘Lijst van eenige verouderde, of in de provincie Zuidholland niet gebezigde Nederduitsche woorden, welke op het eiland Goedereede en Overflakkee nog heeden in gebruik zijn’, in: Beschrijving van het eiland Goedereede en Overflakkee, Sommelsdijk, pp. 48-57
lui , looi , laf, flaauw
Bron: Boers, B. (1843), [Overflakkees] ‘Lijst van eenige verouderde, of in de provincie Zuidholland niet gebezigde Nederduitsche woorden, welke op het eiland Goedereede en Overflakkee nog heeden in gebruik zijn’, in: Beschrijving van het eiland Goedereede en Overflakkee, Sommelsdijk, pp. 48-57
lui , lüj , (bijvoeglijk naamwoord) , lui.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
lui , lu , luden , lui, lieden; olle lu = oude menschen, meestal voor man en vrouw; d’olle lu = (de, of: onze, enz.) ouders; luchies (luidjes), zeer vertrouwelijk, bij ’t aanspreken van bejaarde en oude menschen; manlu = mannen, manvolk; vroulu = vrouwen, meisjes, vrouwvolk; timmerlu, kooplu, amslu, warklu, speullu, enz. Spreekwoord: Hou lichter land hou loozer lu = hoe onvruchtbaarder de bodem hoe vindingrijker de bevolking. Men past dit zeggen niet alleen toe op de bewoners der Veenkoloniën maar ook op die van het Leegeland, (zie aldaar) Oostfriesch Licht land, loose lǜe; swaare klei, graave ossen. (Ook hier hoort men de toevoeging: hou zwoarder klai hou grover ossen.) – Anderlu bin ook lu, vermanend voor: andere menschen zijn ook menschen, moet niet laag op anderen neerzien. Zie ook: buus. – Oostfriesch lǜde, lǜe, lǜ; Westfaalsch lü.
luden = luiden, lieden, doch alleen wanneer de betrekking zeer vriendschappelijk is; wat zeg ie d’r van, luden? Kōm luden, wie goan noa hoes.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
lui , lai , loi , (bijvoeglijk naamwoord), Oldampt Westerwolde = loi, Stad-Groningsch = lui, Ommelanden = lui, traag; Oostfriesch lei, loi, leu. West-Vlaamsch: laai, lui, vaddig. Kil. loy, luy. Aangezien onze klank ui bij de Oost Vl. veranderd in aai, zou dit w. laai de oostelijke vorm niet zijn van lui, die in ons dialekt geslopen is God weet hoe?” Vgl. de verlengde a in ’t Groningsch waardoor lai ook laai luidt. Spreekwoord: Luie snieders, lange droaden, zegt men schertsend wanneer een kleermaker of eene naaister een langen draad in de naald heeft gestoken. – Vergelijking: lai as vlinten; as ’n swien.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
lui , looi , lui , (bijvoeglijk naamwoord) , Lui. || Ze is toch zo looi. – Zegsw. Hij het’en stukkie van ’et looie beest geëten, hij is lui. – Vgl. looie baker op baker. – Looi is een bijvorm van lui. (vgl. FRANCK 593), die ook elders in N.-Holl. bekend is. || Loy, ende lecker, ende veel te mogen, dat sijn drie dingen die niet veel en doghen, VALCOOGH, Regel d. Schoolm. 145. – Vgl. Fri. loi, loai, Oost-Fri. loi, lei, Ndd. loi. Men vindt de vorm ook in het latere Mnl. en bij KIL. – Zie ook looiaard en looielak.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
lui , loi , zie lai * 3.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
lui , läi , lui
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
lui , lùj , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , lui. At de zunne steet in t wesn, zeent de lùjn op n besn, de luien voelen zich ’s avonds het prettigst; de lùjr is um baas, hef um oondr, hij heeft geen zin aan werken
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
lui , luî , loom Ik vien ’t mar luî wéêr! Ik vind het loom weer. [Oef]
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
lui , lui , looi, looie; lôj, lōje; lūj, lūje; leu, leuë , bijvoeglijk naamwoord , 1. Lui, lusteloos 2. Slaperig. | Ik loik wel ’n beetje lui te worren. 3. Bleu (verouderd). Van de klank ui in open lettergrepen, zoals in lui, of vóór j, zoals in luie = luiden, komen (of kwamen) o.a. de volgende varianten voor: looi, looie (vgl. Fries loai); lôj, lōje; lūj, lūje (met de klank van Frans freule); leu, leuë. Men hoort (of hoorde) deze varianten o.a. in de woorden: lui, bui, trui, luie (luiden), mui. Zegswijze as lui en louf zeer deeë, zouwe d’r ’n zoôt mense skreêuwe, er zijn heel wat lieden die lui of (quasi) vermoeid zijn. ’t luie sweit komt er uit, gezegd als men hevig transpireert. – ’n Luie zeif (zeef), zeef met te fijn gaas, zodat het zaad te traag gezeefd wordt (genoteerd te Opperdoes).
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
lui , lui , lej.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1989), È maes inne taes. Plat Hôrster, Horst.
lui , luij , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , lui. 1. Zegswijze: Liever luij dan muug. Luij zwêêt is gaaw gerêêd. 2. Luijwèèvepap is ’n uitkomst voor luie vrouwen. Men hoeft slechts wat warme melk uit te gieten over een beschuit. 3. ’n Luijwèèveknèup was ’n metalen drukknoop die je niet hoefde vast te naaien. 4. Voor luije (luiden) zie: klok. 5. Hij is ziek van de luije piek. Hij is niet echt ziek.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
lui , luu , leu , lui, mensen; * ärme luu kokt dunne pap: je moet roeien met de riemen die je hebt; leu * sommige leu bint net klokken, a’j ze niet opwindt dan sloat ze niet: sommige mensen tonen geen enkel initiatief.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
lui , lui , loi, laai , bijvoeglijk naamwoord , Ook loi (Veenkoloniën), laai (Zuidoost-Drents zandgebied, veroud.) = lui Oonze Jan lui? Nee, maor hij mak zich het wark wel makkelijk (Hgv), Wat een laaien luns luie donder (Bco), Die luier is as hij die maggen ze wel doodschieten (Klv), Hij is stinkende lui, ... een luie stinkerd (Hgv), Hai is zo lui hai ken van luiighaid nait slaopen (Vtm), Hie is leiver loi dan mui (Erf), Hij is te lui um te gappen (Bal), ...om rechtuut te lopen (Klv), ...um aom te halen (Sle), ...um veur de duvel te daansen (Eex), ...om de lèpel naor de bek te brengen (Hgv), ...te gaon zitten as hie stiet (Eli), ...umme te stinken (Hgv), ...um uut zien ogen te kieken (Ass), ...um te hoousten (And), Hij is zo lui as dikke stront in een trechter, ...as een zwien (Hijk), ...as een koe (Pdh), ...as een hond (Dwi), ...as hie lang is (Bor), ...as Evert (Ros), ...as een ezel (Vtm), ...as een loes (Dal), ...as een scheper (wb)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
lui , lui , lui. Zo lui as een värken
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
lui , luu , lui. Wat bint dât toch veur raere luu?
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
lui , lu , lui, luden , zelfstandig naamwoord , mv.; lui, lieden
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
lui , lui , bijvoeglijk naamwoord , lui, zonder lust of aandrang tot werken
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
lui , loi , bijvoeglijk naamwoord , [Obl] lui As loi zeer dee dan zou die hard schrêêuwe Als lui pijn deed dan zou hij hard schreeuwen
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
lui , lèùj , lui, gemakzuchtig , Hèij is nog te lèùj um z’n kónt te krâse. Hij is nog te lui om zijn kont te krabben. , Liever lèùj ás muûjg zén. Liever lui dan moe zijn.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
lui , lu , luuj, lui , (bijvoeglijk naamwoord) , 1. lui; 2. slaperig.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
lui , lai , bijvoeglijk naamwoord , lui (Helmond en Peelland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
lui , lui , luier, luist , lui , Hae is nog te lui om Ooslevenhieër gojen daag te zègke: hij is erg lui. Luie zweit.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
lui , lui , bijvoeglijk naamwoord , WBD III.4.4:29 'lui weer', 'laf weer' = benauwd weer; WBD III.4.4:325 'lui' = langzaam
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal