elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: luip

luip , luup , zelfstandig naamwoord de , Gluiperd, gemeen individu. Vgl. lupig.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
luip , lèùp , bijvoeglijk naamwoord , onbetrouwbaar (Tilburg en Midden-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal