elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: lul

lul , [tepel] , lul , voor: tepel; het kind de lul geven = de borst geven.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
lul , wá ’ne lul! , Wat een kletspraat, lariekoek!
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
lul , lul , zelfstandig naamwoord de , in de zegswijze de lul weze, de dupe zijn.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
lul , lulle , lullegie , lul.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
lul , lul , lulle , de , lullen , Ook lulle (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied) = 1. mannelijk geslachtsdeel Hij had de lul oet de boks hangen (Pdh), Hie stiet aaid met de handen an de lul hij doet niets (Sle) 2. van personen, ook als scheldwoord gebruikt Doe bust een lul mit dien gekke vraogen (Bco), Dat is ok een mooie lul (Klv), ...een grote lul (Die), Het is wel een goeie lul van een kerel maor hij pist wel langzem hij is zo traag (Hgv), Het is een Jan lul kletsmajoor (Hgv), Grote lul, kiek oet je doppen (Eex), Hij is de lul van het peerdespul de pineut (Mep) 3. tuit van een pomp (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe) De vrouwlu mussen vrogger de keuperen lul poetsen (Ruw) 4. tepel (wm) Het kind de lul geven
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
lul , lul , 1) mnl. lid; 2) nietsnut. wa bende toch unne lul, wat ben je toch een nietsnut.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
lul , lul , 1. (plat) penis; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: pijp aan een pomp
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
lul , lul , kul , T’is lul mér’t prôt toch. Het is kul maar het praat toch. Het is onzin, maar men kan toch weer wat kletsen.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
lul , lullechie , zelfstandig naamwoord , lullechies , onnozel persoon, lulletje Lullechie Roozewaoter Lulhannes, sukkel
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
lul , lul , zelfstandig naamwoord , kletspraat (Eindhoven en Kempenland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
lul , lul , zelfstandig naamwoord , lul; mannelijk lid; onaangenaam of onbeholpen manspersoon, de gesjochte, het mikpunt; WBD III.1.1:219 'lul' = mannelijk lid; 220 'lul' = penis
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal