elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: lullen

lullen , lullen , sneppen, zotteklap uitslaan.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
lullen , lullen , druk praten, van een gezelschap mannen, inzonderheid in de herberg onder het drinken van een borrel, en ofschoon zulke lulderei (= gelul, geklets) weinig om ’t lijf heeft en meestal zeer vervelend kan zijn, behoeft men hier juist niet aan: zotteklap uitslaan, te denken. Zie: kletslullen, en: lullebruir.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
lullen , lullen , zie lullebruier * (bl. 251 en 540) en kletslullen *.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
lullen , luln , werkwoord, zwak , kletsen. Zoo mer wat vot luln, zo maar wat heen zeggen
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
lullen , lulle , kletsen, praten Ze stùt d’n héllen dag dör te lulle Ze staat de hele dag door te kletsen).
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
lullen , lulle , werkwoord , in de zegswijze lulle uit ’n peerdekop, fantaseren, zwammen in de ruimte.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
lullen , lulle , werkwoord , kletsen, zaniken. Lulle heeft in ’t Biks geen seksuele betekenis. Lig nie zò te lulle is een weliswaar vulgaire, maar algemeen gebruikte uitdrukking. Er zijn dan ook veel zegswijzen waarin dit woord voorkomt: Iemes van z’n sokke lulle. Erges ’n punt on lulle. ’t Is ’nen èchte lulmeijer, lulklòòt, lulhannes, lulkònt. Dubbelzinnig klinkt lullen in: “Ons jònges hèn schòòn lulle, mar ochèèrm òns mèskes.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
lullen , lullen , zwak werkwoord, onovergankelijk , 1. kletsen Dai buurman van ons dat is ain gezellige kerel dai ken wel zo lekker lullen (Vtm), Hij lult maor wat hen kletst maar wat raak (Dwi), Hij löp der aaid mar een bettie umtoe te lullen voert niets uit (Pdh), Hier moej niet over lullen hör, gieneein mag het weten (Eex), Ie hebt good lullen, gao het zölf mor ies perberen (Die), Hij hef zuk der mooi oet luld eruit gekletst (Bco), Nou lul ie er een konte an klets je maar wat (Rui), Hij lulde der mor wat om tou praatte er omheen (Row), (zelfst.) As ie mit lullen de kost kunden verdienen, dan waar ie al lange man in bonus (Hgv) 2. slecht schenken, lekken (Zuidoost-Drents veengebied) Die kanne lult (Bco)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
lullen , lullen , kletsen, onzin uitkramen. ge moet nie zo lullen, je moet niet zo’n onzin vertellen.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
lullen , lullen , kletsen. Ie lullen uut de nekke ‘je praat onzin’. Zie ook: kletsen
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
lullen , lulle , kletsen , És lulle worst was hôd’de gi 'n hil énd. Als kletsen worst was had jij een heel eind. Wat kun jij een eind weg kletsen zeg.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
lullen , lulle , werkwoord , lul, lulde, geluld , kletsen Lae se mar lulle Laat ze maar kletsen
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
lullen , lulle , onzin vertellen
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
lullen , lulle , veel en heel goed kunnen praten , die vent kan lulle = die man kan praten- hij lul’d-iederjin vast = hij is iedereen de baas in het spreken/hij snoert iedereen de mond, hij praat zoveel en goed dat er geen tegenspraak meer komt- hij lult de gaote in oew sokke = hij houdt niet op met praten-
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
lullen , lulle , werkwoord , ouwehoeren (Den Bosch en Meierij; Helmond en Peelland; Land van Cuijk; Tilburg en Midden-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
lullen , lulle , lultj, luldje, geluldj , lullen , Dae haet good lulle: die heeft makkelijk praten. Emes vanne zök aaflulle: iemand onder tafel praten.: iemand onder tafel praten.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
lullen , lulle , zwak werkwoord , lulle - lulde - geluld , lullen, onzin vertellen; R gez. As lullewòrst dôod is, krèègde gij et èndje. A.P. de Bont – zw.ww.intr. lullen - onbeduidende dingen zeggen, kletsen; zaniken; Jan Naaijkens - Dè's Biks – lulle ww - kletsen, zaniken; WNT LULLEN - 2) zachtjes praten; 3) onbeduidende dingen zeggen, kletsen
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal