elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: lus

lus , lits , lets , klap, slag. , Hij kreeg eenin ’t gezicht. Uit de litsen, letsen zijn beteekent ontvlucht, veilig wezen.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
lus , lüs , lisse , (vrouwelijk) , strik.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
lus , litse , lis, lus; Friesch lids, lits = lis, strik; Oostfriesch litse, lits, Nedersaksisch litse, Middel-Hoogduitsch litze; iemand wat op, of: om de litsen geven = hem met eenig voorwerp, end touw, een twijg, enz. slagen toedeelen.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
lus , luts , litse*, bij v. Dale Zuidnederlandsch.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
lus , lusse , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , lusn , lusjen , lus
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
lus , liste , bretèls. (WLD III 1.3, 113)
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1989), È maes inne taes. Plat Hôrster, Horst.
lus , lusse , lussie , lus.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
lus , lis , lisse, litse , de , (Zuidoost-Drenthe, Kop van Drenthe, Midden-Drenthe). Ook lisse (Zuidwest-Drenthe), litse (Zuidoost-Drents veengebied). Meestal verkl. = lus Hang de jasse maor an het lissie op (Dwi), Ik moet even een neie litse an de broek hebben (Klv), zie ook lus, latsen
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
lus , lus , de , lussen , (Zuidoost-Drenthe, Noord-Drenthe). Ook lusse (Zuidwest-Drenthe, Veenkoloniën) = lus Maok even een lus in het touw! (Row), Ik heb met het striekiezer in het taofelkleeid zeten, der hangt noou een lus an (Eex), Even een lussie an de haanddoek, ... de maantel zetten (Pes), zie ook lis II
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
lus , lusse , lisse , lus
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
lus , lusse , lus.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
lus , litse , buurt , Ge moet ût de litse bliive. Je moet uit de buurt blijven. Je moet zorgen dat je er niet bij betrokken raakt.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
lus , lus , lusse , zelfstandig naamwoord , de 1. lus 2. breisteek
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
lus , litse , zelfstandig naamwoord , de; lichaam, in op/om/over de litse kriegen/geven een pak slaag
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
lus , lusse , (zelfstandig naamwoord) , lussien , lus, strik. Zie ook: strikke, gälgien.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
lus , liske , lusje , ’t Liske van m’n jèske is kepot. Het lusje van mijn jasje is kapot.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
lus , oe ège uit de litse maoke , je uit de voeten maken
Bron: Gast, C. de (2011), ’t Boekske van de Aolburgse taol, Wijk en Aalburg: Stichting behoud Aalburgs dialect.
lus , gao us uit de litse , ga eens uit de buurt
Bron: Gast, C. de (2011), ’t Boekske van de Aolburgse taol, Wijk en Aalburg: Stichting behoud Aalburgs dialect.
lus , lis , lus.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
lus , liske , lieske , zelfstandig naamwoord , lusje (Eindhoven en Kempenland; Helmond en Peelland) lieske; lusje (West-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
lus , [elastiek] , lits , (vrouwelijk) , litse , litske , 1. elastiek 2. snelbinder , Höbs se ei litske vuuer mich?
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
lus , liske , zelfstandig naamwoord, verkleinwoord , Frans Verbunt:  lusje (om kledingstuk op te hangen)
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
lus , litse , bretels
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal