elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: lut

lut , lut , dotje, suikerpopje.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
lut , [klein iets; weinig] , lüt , (bijvoeglijk naamwoord, onzijdig) , klein; ’t is maor lüt, ’t is weinig; en lüt wèrd wèzen, weinig waard zijn; lütje, kleintje.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
lut , lut , lutters , bijvoeglijk naamwoord , (Zuidoost-Drents zandgebied). Ook lutters (Zuidwest-Drenthe, Veenkoloniën, Kop van Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied) = blut Ik heb aal knikkers verspeuld ik bin lut (Sti), Hij is lutters (Mep) *Lut en Lazerus gingen saomen naor de kroeg toen ze weerom kwammen, was Lut Lazerus en Lazerus lut (Nor)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
lut , lutte , zelfstandig naamwoord , de; domme vrouw
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
lut , lotte , luttien, lut, lutte, lorre , zelfstandig naamwoord , de 1. scheut, kleine, min of meer vloeibare hoeveelheid of kleine en enigszins bewegende, trillende massa 2. foutje, verdikking in breiwerkje, ook: onregelmatige verdikking in het garen, bijv. bij het spinnen 3. oogvuil
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
lut , lut , zelfstandig naamwoord , lutte , lutjie , lang persoon Piet Lut (woordspeling voor pietlut) kenne me niet, wel een lange lut
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
lut , lut , zelfstandig naamwoord , fopspeen (Eindhoven en Kempenland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
lut , lut , zelfstandig naamwoord , Stadsnieuws: Die grôote lut spulde nòg aatij meej der poppe in plòts dèsse nòr de jonge kèèrels keek - die grote meid .... in plaats dat ze belangstelling voor de jongens had. (010709); WBD III.2.2:84 'lut' (Korvel) = jongen met wie een meisje verkering heeft
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal