elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: malheur

malheur , meleur , voor: gebrek aan een voorwerp, voornamelijk ten gevolge van een ongeluk; meleur an ’t bijn hebben, voor: wonde, gezweer, kneuzing, enz.; hij het vallen en meleur de arm kregen. ’t Fransch malheur = ongeluk. Oostfriesch mallören = verongelukken.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
malheur , malheur , (zelfstandig naamwoord onzijdig) , Zie de wdbb. – Bij het zeilen. Malheur hebben van, hinder hebben van iets dat de wind onderschept. || We hewwe malheur van de molen.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
malheur , mallèur , zelfstandig naamwoord , ongelukje, panne
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
malheur , meléur , zelfstandig naamwoord ’t , Ongeluk, gebrek, uit Frans malheur. Zegswijze wat ’n meleur!, is dat nu zo erg!
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
malheur , malleur , zelfstandig naamwoord , pech (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols) Uit het Franse malheur , met dezelfde betekenis.
Bron: Scholtmeijer, H. (1993), Zuidutrechts Woordenboek – Dialecten en volksleven in Kromme-Rijnstreek en Lopikerwaard, Utrecht
malheur , malleur , melleur , het , Ook melleur = 1. pech, malheur Hij kwam te laot, want hij har malleur an zien fietse (Erf) 2. ziekte Det kalf zul wel wat melleur hebben (Pes), Bij de buren harren ze een boel malleur in het achterhuus (Uff)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
malheur , malleur , term uit het rikken (kaartspel).
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
malheur , malleur , schade. Ik eb malleur an de fietse
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
malheur , meléúr , moeilijkheden, pech , Dét'tie dé mér nie duu, dór zoow'wie wél'les gróóte meléúr meej kunne kriige. Dat hij dat maar niet doet, daar zou hij wel eens grote moeilijkheden door kunnen krijgen.
Héd'de meléúr meej'de waoge, dé's mér verveelend nouw ge'm krék zó nóddeg hét. Heb je pech met je auto, dat is maar vervelend nu je hem precies zo nodig hebt.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
malheur , malleur , meleur , zelfstandig naamwoord , et 1. tegenslag door pech, mankement, een ongelukje of door onhandig optreden 2. ziekte, tijdelijke tegenslag door een lichamelijk gebrek
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
malheur , meleur , zelfstandig naamwoord , meleure , meleurtie , [Fra, malheur] narigheid Je krijgt er meleur mee
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
malheur , meleur , (zelfstandig naamwoord) , pech, ongelukje, gebrek.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
malheur , meleur , zelfstandig naamwoord , pech (Eindhoven en Kempenland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
malheur , malleur , meleur , zelfstandig naamwoord , malheur, ongeluk(je) , tegenspoed; MP gez. Dè zèn maleure, dòr moete vur bidde. = fr. 'malheur'; Dè gaaf wèl wè malleure mar tòch ok veul leut, hurre. (G. Steijns; Grôot Dikteej van de Tilburgse Taol 2004) (G. Steijns; Grôot Dikteej van de Tilburgse Taol 2004); Goem. MALHEUR - malé:r, zelfstandig naamwoord o. Zeer gewoon naast 'ongelik'; meleur; Pierre van Beek –  ongeluk; gez. Pierre van Beek –  Dè zèn meleure, daor moete vur bidde. (troostwoord tot iemand die pech heeft) (Tilburgse Taaklplastiek 152); uit fr. 'malheur', met vocaalreductie; Naa snapte wel, dè den deeze of de geene per ongeluk wel 'ns zis borrels vat as ie wit dè-'t-ie er mar vijf hebben kan; dè zen meleuren en daor motte vur bidden. (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit ‘t klokhuis van Brabant 4; 2-11-1929); Bont zelfstandig naamwoord  (kaartspelersterm) malheur.
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
malheur , maläör , pech
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal