elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: mam

mam , mam , zelfstandig naamwoord de , 1. Zog, moedermelk. 2. Vrouwenborst. Meervoud mamme, memme. (Moeder)borsten.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
mam , mam , mamme , de , Ook mamme (Zuidwest-Drenthe, Veenkoloniƫn, Zuidoost-Drents veengebied, Midden-Drenthe) = moeder Hie hangt zien mam an de rokken (Gro), z. ook moe
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
mam , mam , zelfstandig naamwoord , tepel van een zeug (West-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal