elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: mangel

mangel , mangel , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , Amandel. || Gebrande mangelen. Mag ik ’en mangeltje? – Evenzo te Amsterdam en elders in de Holl. spreektaal. – Vgl. mangelpers.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
mangel , mangel , mangels , voederbiet(en).
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
mangel , mangel , zelfstandig naamwoord de , Amandel. Vgl. Fries mangel.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
mangel , mangel , de , mangels , (in onbruik geraakt door het opkomen van nieuwe rassen) = mangelwortel, voederbiet Eerder, as de koenen op stal stunden, dan weurden ze bijvoord met mangels (Bei)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
mangel , mangel , de , mangels , mangel voor wasgoed In de hoesholdschoel hadden wij een mangel, boeren hadden gien mangel (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
mangel , mangel , voederbiet. mv. mangelen.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
mangel , mangel , zelfstandig naamwoord , de; mangelwortel: bep. soort voederbiet
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
mangel , mangel , zelfstandig naamwoord , de 1. mangel: soort wringer, ook wel bep. waskuip met zwengel 2. in in de mangel nemen klem zetten, vastpakken en -houden, in de maling nemen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
mangel , mangel , zelfstandig naamwoord , mangels , mangeltie , voederbiet
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
mangel , mangel , mangele , voederbiet
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
mangel , mangel , linnenpers (met twee rollen)
Bron: Peels-Mollen, J. met werkgroep Weerderheem in Valkenswaard (Ed.) (2007), M’n Moederstaol. Zôô gezeed, zôô geschreeve. Almere/Enschede: Van de Berg.
mangel , mangels , mangelwortelen
Bron: Peels-Mollen, J. met werkgroep Weerderheem in Valkenswaard (Ed.) (2007), M’n Moederstaol. Zôô gezeed, zôô geschreeve. Almere/Enschede: Van de Berg.
mangel , mangels , zelfstandig naamwoord, meervoud , voederbieten (Land van Cuijk)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal