elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: mangelpeen

mangelpeen , mangelpeeje , mangelwortelen , Mangelpeeje kriige de koej, wél gesneeje, kniin die knaauwde ze zóó wél óp. Mangelwortelen kregen de koeien, wel gesneden, konijnen die knabbelden ze zo wel op.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
mangelpeen , mangelpeej , zelfstandig naamwoord , voederbiet (West-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
mangelpeen , mangelpeej , zelfstandig naamwoord , voederbiet; koolraap, 'knòlraop', 'knòlleraop', 'knòllekes'; Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) -  vórt alles meugen hèbbe behalve mangelpeeje (Pierre van Beek –  Tilburgse Taalplastiek 1970) - door de dokter voor genezen verklaard zijn; WBD I:1415 'mangelpeej?' - voederbieten; WBD III.2.3:107 'mangelpee' = koolraap; Hees mangelpeej (VI:10); WNT MANGELWORTEL - een soort van beetwortel (veevoeder)
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal