elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: meerkol

meerkol , meerkol , markol , (mannelijk) , [weinig gebruikelijk] Vlaamsche gaai.
Bron: Gallée, J.H. (1895), Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect, aanhangsel Twents
meerkol , marklauwe , (vrouwelijk) , Vlaamsche gaai (Overijssel).
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
meerkol , meerkol , markol, meerkòl , (mannelijk) , garrulus glandarius, Vlaamsche gaai; markolf (Grolle).
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
meerkol , markaole , Meerkol. Oneig. in verbinding met: schèle, is ʼt een scheldnaam voor een scheelziende.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
meerkol , meerkol , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , Alleen in de uitdr. de meerkollen dansen, als bij het doemen van de lucht de weerkaatste streep in trillende beweging is. Zie op doemen, waaraan deze uitdrukking moet worden toegevoegd.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
meerkol , maarklauwĕr , naam van een vogel (Vlaamsche gaai?)
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
meerkol , maarkolf , meerkol, Vlaamsche gaai.
Bron: Beets, A. (1927), ‘Utrechtsche Volkswoorden en Volksgezegden’, in: Driemaandelijksche bladen 22, 1, 1-30, 73-84. Groningen
meerkol , markaole , Meerkol. Oneig. in verbinding met: schèle, is het een scheldnaam voor een scheelziende.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
meerkol , maikloove , vrouwelijk , meerkol, vlaamse gaai
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
meerkol , moarkeloo , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , moarkeloos , meerkol
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
meerkol , mérkolf , martkolf , m , Vlaamse gaai; martkolf [Ove]
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
meerkol , maerklaf , Vlaamse gaai. (WLD III 4.1, 146)
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1989), È maes inne taes. Plat Hôrster, Horst.
meerkol , matkèùref , Vlaamse gaai.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
meerkol , mèrkòl , zelfstandig naamwoord , Vlaamse gaai. Zie: hannebroek.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
meerkol , meerkol , mertkolf, metkolf , zelfstandig naamwoord , (KRS: Hout), me(r)tkolf (KRS: Lang) Vlaamse gaai (KRS: Hout) Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 91). Zie Taalatlas, afl.6, nr.5: gaai . Zeer waarschijnlijk gaat deze naam terug op Marcolf , een bekende spotter uit de Middeleeuwse sage. De Vlaamse gaai spot immers met andere vogels door hun geluid te imiteren. De dialecten van geheel Oost-Nederland en het aangrenzende deel van Duitsland hebben voor de Vlaamse gaai namen die van dit Marcolf zijn afgeleid, maar steevast met een a in de eerste lettergreep.
Bron: Scholtmeijer, H. (1993), Zuidutrechts Woordenboek – Dialecten en volksleven in Kromme-Rijnstreek en Lopikerwaard, Utrecht
meerkol , märkoale , vlaamse gaai, meerkol.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
meerkol , meerkolle , märkolle , vlaamse gaai (vogel).
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
meerkol , marklover , markleuver, markloper, markloze, markrover , de , marklovers , (Zuidwest-Drenthe). Ook markleuver, markloper (Zuidwest-Drenthe, zuid), markloze (sa:Rui), markrover (db) = Vlaamse gaai, Garrulus glandarius Zunder dat wij het wussen, stunden wij under een boom, waor marklovers een nust harren (Noo)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
meerkol , morkolf , morkuus , vlaamse gaai. d’r zaat unne morkolf in d’n kersenbòm te lachen, er zat een vlaamse gaai in de kersenboom te lachen.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
meerkol , meerkòlle , (Gunninks woordenlijst van 1908) zie meerkote
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
meerkol , mârkaole , vlaamse gaai.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
meerkol , motkollever , Vlaamse gaai
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
meerkol , markùrf , Vlaamse gaai
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
meerkol , markaole , majekolf, marekolf, mariënkolder, marikaole, marik , vlaamse gaai.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
meerkol , martkolf , martkeurf, mertkolf, morkolf , zelfstandig naamwoord , Vlaamse gaai (Land van Cuijk); martkeurf; Vlaamse gaai (Helmond en Peelland); mertkolf; Vlaamse gaai (Land van Cuijk); morkolf; Vlaamse gaai (Den Bosch en Meierij)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
meerkol , merkof , (mannelijk) , Vlaamse gaai
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
meerkol , mòrkòlf , mèrkòl , zelfstandig naamwoord , Vlaamse gaai, meerkol, markolf; Henk van Rijen – mòrkòl, mèrkòl - gaai (Garrulus glandarius); Elie van Schilt - ok wieren dur ons jong morkolven uitgehaold. Zagen die kaans om gròòt te worren, ok die hadden pech want die gingen dan de soep in. (Uit: ‘Tilburg waor zen oe bossen’; CuBra ca. 2000); WBD III.4.1:147 mòrkòlf - gaai z. a. Stadsnieuws -  De blauwe vèrkes van ene mòrkòlf stòn schôon op ene hoed (241208); Verh. MORKOLF m - meerkol, vlaamse gaai. Str. morkolf (2:59); WNT MEERKOL - daarnaast andere namen - naam van verschillende vogels; A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - maarkolf, maerkef, merjoef, meelkörf, marklau, markloper, marklover, markrover
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
meerkol , mèrkòl , mòrkòlf , zelfstandig naamwoord , "vlaamse gaai, meerkol, markol(f), broekekster, schreeuwekster; Van Delft - - Als wij des zomers vogeltjes gaan zoeken dan ""gaon we veugeltjes zuuken"" en we vinden ""veugeltjes op aijkens en mee naokte jong van bremkwetjes, piedieven, kweiken, schrijvers, kakeluutjes, blaauwkupkes, merkoven, koolmees, enz.""(Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 110; 20-04-1929); WBD III.4.1:147 'markol' (ook: merkol, mjarkol, morkol), mòrkòlf - gaai (Garrulus glandarius); ook: 'broekhannek', 'hannekbroek', 'hannebroek' en 'roeter' en 'broekekster’. WNT MEERKOL, daarnaast andere namen, voor verschillende vogels: 1) In beteekenis gelijk aan meerkoet ('KOL' doet denken aan het Fries); 2) Vlaamsche gaai, corvus glandarius, vanouds 'marcolf' z.a. Bosch - mèrkol - Vlaamse gaai; K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - MARKOLF - Vlaamsche gaaij. Kiliaen: Maer-kolf. Biks - 'mèrkol' zelfstandig naamwoord  - Vlaamse gaai; A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - maarkolle - gaai (Achterhoek, Veluwe), contaminatie van 'maarkolf' en 'meerkol' (meerkoet)."
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal