elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: mendeur

mendeur , méndeure , (vrouwelijk) , groote schuurdeur.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
mendeur , mendeure , menningsdeure , zelfstandig naamwoord , (zie ook baander en baanderdeure) de; elk van de twee tegen elkaar sluitende schuurdeuren van een boerderij
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
mendeur , mendeur , zelfstandig naamwoord , grote schuurdeur (West-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal