elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: menens

menens , meanns , bijwoord , menens
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
menens , ménes , menens ’t Is vör ménes ’t Is ernst!
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
menens , mienes , in de combinatie ’t is mienes, het is menens.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
menens , mienens , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , Var. als bij mienen II = ernstig gemeend Het is geen gekheid, het is menens (Ass), Noe meut wie oppassen, het begint meinens te worden (Bco), Het was heur echt mienens um dat hoes te kopen, maor het gung niet deur (Bei), Ze haden ruzie, niet uut de gek, het was mienens (Dwi), Det wordt al drok wark, het wordt menens van een verkering (Pes)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
menens , meens , ernst, menens.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
menens , mienens , menens , bijvoeglijk naamwoord , menens
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
menens , mêênes , bijwoord , menens Hij zee dat nie voor een raortie, maor ‘t was goed mêênes Hij zei dat niet voor de grap, maar in volle ernst; ’t Was goed mêênes Het was menens
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
menens , mjeenes , menens , hij wier kwaod en ge kon zien daddut mjeenes waar = hij werd kwaad en je kon zien dat het menens was- ; ook bij het spelen, bijv. bij het knikkeren, werd het woord gebruikt: doen we vur mjeenes = spelen we voor winst en verlies- ; bij het knikkeren werd ook gezegd: doen we vur ouwes?, wat betekende dat de winnaar het aantal knikkers dat hij had gewonnen mocht houden;
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
menens , [in ernst] , mèènes , menens, serieus, in ernst , We speule vur mèènes. We spelen voor menens. Het gaat dan om een zaak met een echte inzet. , ’t Wâr mèènes mi die knókperteij. Het was serieus in die vechtpartij.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
menens , mèènes , mjèènes , bijwoord , ernstig, gemeend (Den Bosch en Meierij; Tilburg en Midden-Brabant); mjèènes; ernstig, gemeend (West-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
menens , meines , (onzijdig) , menens , En noe is ’t mich meines! Oppe lèste rippetiesies vuuer ’t concours weurtj ’t meines.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
menens , mèènes , stoffelijk bijvoeglijk naamwoord , serieus bedoeld, menens; Cees Robben - Is dè mèènes, hoe bestaoget!; WBD III.1.4:73 'menens' = ernstig; Bont män?s, zelfstandig naamwoord vr. meinens - menens, mening, bedoeling! Dä's de mänes. ANTW. MEINENS - verbogen vorm van 'meinen': 't is meinens - 't is gemeend
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal