elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: mennen

mennen , mennen , voor aanwakkeren.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
mennen , mennen , met een wagen rijden. “Men scheidde veelal niet eer, voor men – zooals men het destijds noemde – zooveel had als men met schik naar huis kon mennen.” In Gron.: mennen = inhalen van het graan, nl. met den waan. In Leek wordt het woord alleen voor het vervoer van goederen gebruikt. Ned. Bet. menne = vervoeren; gemend = den oogst binnengehaald.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
mennen , mennen , (zwak werkwoord) , aan den leidsel leiden.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
mennen , mennen , inhalen van het graan, oogsten; de boeren bin drok an ’t mennen; Drentsch inmennen, Zeelandsch an ’t maenen zijn = inoogsten, Neder-Betuwsch menne, West-Vlaamsch mennen = inoogsten, den oogst inzamelen. (De Bo). – mismennen = de stalmest naar het land rijden; zij hebben ’t mismennen doan; törfmennen, in de Ommelanden törf opmennen = turf uit het schip naar huis rijden. Voorts nog: hooimennen, of: heumennen, stroomennen, garstmennen, hoavermennen, waitmennen, boonenmennen, vlasmennen; zie ook: tussenbaidemennen. – Zegswijze: deur de keel mennen = deur ’t halsgat joagen = verbrassen, doorbrengen. Vgl. v. Dale artt. keel, en: keelgat.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
mennen , mennen , (zwak werkwoord, transitief) , Zie de wdbb. Ook: 1) Bij vissers. Het visnet inhalen, het want met de gevangen vis in de schuit tillen. Hetz. als haffen; zie aldaar. De persoon die dit doet is de wantmenner; de andere visser haalt de kurken op. || Wie zel ’et want mennen? Nou moet ’et want ’emend worre (worden). 2) Bij boeren. Het hooi of de oogst naar huis voeren. Daar er weinig bouwland is, meestal van het vervoer van hooi. Het mennen geschiedt met een of twee paarden, die men daartoe voor de schuit met hooi spant. Ligt het land niet aan water, dan gaat het vervoer natuurlijk per wagen. || (Wij) keuren en ordonneeren ... alle de Slooten daer hooy op gement wordt, wel schoon en klaer op te maken tot de wydte van seven voeten (keur v. 1659), Handv. v. Assend. 222. – In de zin van de oogst binnenbrengen is mennen ook elders gebruikelijk; zie VAN DALE. – Vgl. menneweg.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
mennen , mennen* , bij v. Dale als gewestelijk vermeld.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
mennen , mennen , een trekdier besturen. Mesmennen: mest per wagen vervoeren.
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
mennen , menn , werkwoord, zwak , paard besturen en aandrijven. Dat kost menn, dat valt niet mee
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
mennen , mênnen , 1. mennen. 2. het geheel van werkzaamheden ergens aan verbonden, bv. mizze mênnen
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
mennen , menne , minne , werkwoord , zie *winne .
Bron: Scholtmeijer, H. (1993), Zuidutrechts Woordenboek – Dialecten en volksleven in Kromme-Rijnstreek en Lopikerwaard, Utrecht
mennen , mennen , sterk, zwak werkwoord, overgankelijk , 1. mennen Ie meut hum good in ’t leide holden, aans kuj niet mennen (Rui), (fig.) Hie har net zo veul as e mennen kun een flinke borrel op (Sle) 2. vervoeren Ment de eerappels mar an de bulte (Flu), Door hebt ze ’t heile winter over mend (Bov), De turf is zeker al dreug, zie bint al an het mennen brengen het al onder dak (Eke) 3. opjagen Ik bin zo klaor, zit toch niet zo te mennen (Gie)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
mennen , mennen , 1. mennen; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: zware vrachten voeren
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
mennen , mennen , werkwoord , 1. een rij- of trekdier met een leidsel of toom sturen 2. met paard en wagen vervoeren 3. een gejaagd, rusteloos gevoel hebben
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
mennen , menne , werkwoord , men, mende, gemend , de oogst binnenhalen Ze binne met hêêl de ploeg an ’t terrow menne Ze zijn met heel de ploeg bezig de tarwe binnen te halen
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
mennen , menne , werkwoord , de oogst binnenhalen (West-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal