elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: merkel

merkel , markus , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , Meerv. markussen. Op een vrachtschip. De kromme balkjes die dwars over het ruim worden gelegd als onderleggers voor de luiken. Een markus heeft van boven een gleuf, waarin de grieten (zie griet III) der luiken sluiten. – Vgl. bij VAN LENNEP, Zeemans-wdb. 140 merkels o.a. in de zin van “staven vierkant ijzer, waarop de roosters, die tot dekking van de kuil dienen, rusten” en van “scheerstokken: houten, waar de luiken der luikgaten op rusten”.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
merkel , méérkel , zelfstandig naamwoord , sluitbalk, grendel (Tilburg en Midden-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal