elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: mok

mok , mok , nevel, mist. Ook in zamenstelling moklucht, mokregen, mokachtig. ’t Is mokkig weer.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
mok , mōk , soort van duif. Zie ook: mōkke.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
mok , mōkke , (Stad-Groningsch); porseleinen of aarden cilindervormig drinkvat met één oor. Op schepen vooral is: mōk een dergelijk voorwerp van blik of steen; bij de landbouwers heet een klein tinnen bekertje aldus, ʼt welk meest in het raapzaaddorschen (kooldörsken) gebruikt wordt om er jenever uit te drinken.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
mok , mōkken , kleine, ronde koekjes van meel en stroop; de Houkster (van Martenshoek) mōkken komen nagenoeg overeen met de Delfzijler aleksanderneuten; beide hebben eene zekere vermaardheid. Zuid-Nederlandsch mokken, eene soort van koekjes. Westfaalsch mocken = brok, Middel-Hoogduitsch mocke.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
mok , mok , (mannelijk) , zoen, smok. Hiervan: mokken, mokkelen.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
mok , mok , (mòk) , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , Een waterkannetje van steen of blik, met een oor. De mok heeft de gedaante van een stroopkan, doch is niet zo hoog, en dient b.v. om water uit een emmer te scheppen. – Vroeger stond er op de Koog ook een molen de Mok, eigendom van Pieter Klaesz. Mock, blijkens Polderl. Westz. V f° 120 (a° 1730). – Het woord is ook elders bekend; bij de marine zijn althans schaftmokken in gebruik. In Oost-Friesl. is mukke een stenen stroopkan (KOOLMAN 2, 264).
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
mok , [zoen] , mok , (mannelijk) , zoen, smok. Hiervan: mokken, mokkelen.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
mok , mök , m , mökke , mökske , jonge koe of koekalf, kalveren, kalfje; lompe lélleke, lompe, stomme mök! lompe jongen! (scheldwoord); verdoriese mök! verduiveld stom kalf!
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
mok , mokje , (ouderwets), drinkgerei
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
mok , mok , vochtig warm, benauwd weer. Uitdrukking: het is mok in de biete.
Bron: Spek, J. van der (1981), Zoetermeers woordenboek, Zoetermeer.
mok , mok , zelfstandig naamwoord de , Drinkbekertje of -kopje. Uit Frans moque.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
mok , mok , zelfstandig naamwoord de , Zeemeeuw (verouderd).
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
mok , mok , zelfstandig naamwoord de , Huidontsteking aan de achterzijde van de koot bij paarden. Vgl. Fries mok.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
mok , moek , nevel. Heej haet moek inne biën. (WLD III 4.4, 54)
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1989), È maes inne taes. Plat Hôrster, Horst.
mok , moek , mist.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
mok , mökske , vrouwelijk kalf.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
mok , mok , mokke , de , (Zuidwest-Drenthe, zuid). Ook mokke (Zuidwest-Drenthe, noord) = vuurvaste specie Mok is liem, vermengd met kalk en een diel cement, daor wörde vroeger de stoetenaovens mit in mekaar emetseld (Hav)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
mok , mok , de , (Zuidoost-Drents zandgebied) = ruzie Hij mak mok, het is een mokkenmaker (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
mok , mok , de , mokken , grote kop of beker Een mok is een grote kop zunder schöttelie, met een oor der an (Rod), ook Mok is een kop zunder oor (Hijk)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
mok , moek , mok , de , Ook mok (Veenkoloniën, Zuidoost-Drents veengebied) = mok, huidontsteking aan de achterzijde van de koot bij paarden De Belgen hadden meer last van mok as de Bovenlaanders, umdat ze meer haor under an de beeinen hebt (Eex). Als remedie gold: er urine tegen gooien, ...en het beste die van een zwangere vrouw (Ruw); uitboenen met sodawater, (...) en dan een klont groene zeep erop (Noo), ...insmeren met verlopen olie of met een zalfje van slaolie en bloem van zwavel (Hijk), ...met bruine teer (Vtm), ...met faecaliën (Wsv), ...met petroleum (Kop van Drenthe) of wagensmeer (Zey); uitwassen met azijnwater (Uff), ...pekelwater (Sle); er tabakswater inwrijven (Een); op schoon wit zand zetten (Rui). Verder de gebruikelijke middeltjes van de veearts, (fig.) Dat mèensk kun wel moek an de hakken hebben loopt met afgezakte kousen (Gas)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
mok , [mist] , mok , mist. verkl. mökske.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
mok , mùk , kalf.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
mok , mok , mist , Mok is de moejer van alle wiir. Mist is de moeder van alle weer. Na de mist kunnen er allerlei weertypen komen.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
mok , mok , zelfstandig naamwoord , de 1. drinkbeker 2. molm, vermolming 3. zachte, vuurvaste specie
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
mok , moek , mok , zelfstandig naamwoord , de; bep. ontsteking bij paarden of bij koeien
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
mok , mök , kalf
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
mok , mök , zelfstandig naamwoord , kalf, lomperik (Eindhoven en Kempenland; Helmond en Peelland; Land van Cuijk)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
mok , mok , moewk , zelfstandig naamwoord , mist (Eindhoven en Kempenland; Land van Cuijk); moewk; mist (Helmond en Peelland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
mok , mök , mökge , mökske , kalf
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal