elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: meut

meut , meut , zelfstandig naamwoord de , 1. Oude tante, oud wijf, bemoeial. | Ga weg, weer bemoei je je mee, meut dat je d’r benne! 2. Plat voor schoot. Het woord is waarschijnlijk verwant met meter = doopmoeder. Vgl. vlaams mete. Zie het N.E.W. onder meter.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
meut , meut , zelfstandig naamwoord , meute , meutjie , 1. ouwelijk gekleed en/of zich ouwelijk gedragend meisje (waarschijnlijk pars pro toto: vrouwelijk geslachtsdeel) Die maaid lôôpter bij as een ouwe meut; soms noeme ze de vrouweverêêneging wel ‘de meutenbond’ 2. vrouwelijk geslachtsdeel
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
meut , meut , onhandig iemand, leuke meid die altijd wel vragen heeft of hulp nodig heeft bij onbenullige dingen
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
meut , meut , zeurderige oude vrouw , wa bende toch ’n meut, ééj = wat ben je toch een zeurpiet!-ouwe meut
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
meut , meut , zelfstandig naamwoord , kletskous (Den Bosch en Meierij)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal