elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: mieteren

mieteren , mietert* , 2, vgl. mieter * (ook de aanteekening hierboven.) Daar de laatstgenoemde woorden, evenals ’t bij van Dale (4e druk) genoemde “mieteren” voor: smijten, enz., slechts in de allerplatste taal gebezigd worden, mag er aan een afleiding als bij mietje * (bladz. 40) genoemd is gedacht worden.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
mieteren , mietere , neersmijten Héj mietere ’t gréj in d’n hoek Hij smijt het spul in de hoek neer; vallen D’r nèr mietere Er neer vallen; plagen, ruzie zoeken Lig nie zò te mietere Lig niet zo te plagen.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
mieteren , mietere , opmietere, opsodemietere opdonderen, vertrekken, wegwezen.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
mieteren , mietern , smijten
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
mieteren , mieteren , mieteren, emieterd , smijten, vallen.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
mieteren , mietern , zwak werkwoord, (on)overgankelijk , 1. gooien Gao weg of ik mieter die der uut (Erf) 2. vallen, donderen Hij was zo dronken, hij mieterde een maol of wat understeboven (Wes), Hij was in de sloot emieterd (Hav) 3. zeuren Lig niet te mietern (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
mieteren , mietjen , mietjern, mieten , zwak werkwoord, onovergankelijk , (Hondsrug, Veenkoloniën, Kop van Drenthe). Ook mietjern (Midden-Drenthe), mieten (Zuidoost-Drents zandgebied) = zeuren Haol daorover mor op te mietjen, wie weiten allebaaide wel, hou het er bie staait (Erf)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
mieteren , mieteren , weggooien.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
mieteren , mieteren , (Gunninks woordenlijst van 1908) 1. vuil werk doen; 2. zaniken
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
mieteren , mieterde , viel , Ik mieterde meej de kreuge bekant van de steiger af, ik zoow hard gevalle zén. Ik viel met de kruiwagen bijna van de steiger af, ik zou hard gevallen zijn.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
mieteren , mieteren , werkwoord , 1. gooien, smijten 2. hard vallen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
mieteren , mietere , weggooien
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
mieteren , mietere , werkwoord , lastig zijn (Helmond en Peelland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal