elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: miezerig

miezerig , miezerig , mijzerig , (bijvoeglijk naamwoord) , 1) Regenachtig, vochtig, onaangenaam; van het weer. || ’t Is toch zuk miezerig weer, ’et mottert de hele dag. – Evenzo elders in Holl., in het Stad-Fri., in Gron., Gelderl., Ndd., enz. Daarnaast in het Oost-Fri. mîs, mîsig, in dezelfde zin (KOOLMAN). Vgl. Vla. miezelen, mijzelen, stofregenen (SCHUERMAN, DE BO; vgl. KIL.: mieselen, Fris. Holl. j. misten, nebulum exhalare, rorare tenuem pluviam), Ndd. miseln, miseken, hetzelfde (SCHAMBACH). Zie verder DE JAGER, Freq. 1, 392, en vgl. Indogerm. Forschungen 4, 111. 2) Slechtgestemd, humeurig, stuurs. || Wat ben-je miezerig vandaag. Ze is toch zo miezerig. – Evenzo elders in Holl. || Dat is zeker dat ... er (nergens) in Holland zo veele zuurkijkende, bleekgeele, miezerige malle uitkijken niet gevonden worden als in dit nest en zijne vrijheden, WOLFF EN DEKEN, Corn. Wildschut 1, 51. Toen hij twaalf jaar bereikt had, is hij een mizerige, geele, lange, magere scharminkel geworden, ald. 112. Dien langen, geelen, miezerigen Burgemeester, ald. 121. Vgl. verder DE JAGER, t.a.p.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
miezerig , miezelig , mijzelig , (bijvoeglijk naamwoord) , Klein, min, nietig. Zie miezel. || Snij toch niet zukke miezelige stikken (boterhammen). ’t Is zo’n miezelig kind.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
miezerig , miezerig , regenachtig. Wat een miezerig weer!
Bron: Spek, J. van der (1981), Zoetermeers woordenboek, Zoetermeer.
miezerig , miezerig , bijvoeglijk naamwoord en bijwoord , 1. Regenachtig, triest. | Wat ’n miezerig weer. 2. Bleek, ziekelijk. | Wat ziet ze d’r miezerig uit. 3. Klein, mager, tenger. | Wat ’n miezerig moidje. 4. Bedroefd, heel erg. | Wat ’n miezerig kloin beetje.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
miezerig , miezerig , miezelig, miezig, mies, miesterig, miesderig , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , In bet. 1. ook miezelig (Schn), miezig (Kop van Drenthe), mies (Zui, naast miezerig), miesterig en miesderig (Sle, naast miezerig) = 1. druilerig, regenachtig Het is miezerig weer, het is bij regen of (Wsv) 2. schraal, nietig Vrogger was het mor een miezerig ventie (Die)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
miezerig , miezerig , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , 1. druilerig, regenachtig 2. benepen, op een kinderachtige manier lastig 3. erg zoet
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
miezerig , miezereg , bijvoeglijk naamwoord , 1. regenachtig, vochtig 2. [Hei] vervelend Doe niessôô miezereg
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
miezerig , miezereg , bijvoeglijk naamwoord , druilerig (Land van Cuijk)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
miezerig , miezereg , bijvoeglijk naamwoord , druilerig (v.h. weer); WBD III.4.4:39 'miezerig weer' = wisselvallig weer; Bont bijvoeglijk naamwoord  miezerig 1) regenachtig, druilerig (v.h. weer, ) 2) iezegrimmig: Wa heesse toch e miezerig gezicht!'; WNT MIEZERIG - druilerig of ook slechtgehumeurd, stuursch. Het woord beteekent ook: onwelvarend, ziekelijk ... z. a. ANTW. MIEZER, te ANTW. MIEZERIG bvw. - bedrukt, treurig, ziekelijk. Hij zag er zoo miezer uit. Ze kan zoo miezerig zien.
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal