elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: mis

mis , misse , verkeerde, slechte; wie hebben in Mai (1889) gijn misse dag had = alle dagen dier maand is het mooi weer geweest. Vgl. mis moal, en zie: mis 3.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
mis , mis , in: de boel is fout, of: mis = hij gaat bankroet. (Ook elders, doch niet bij v. Dale.)
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
mis , mis , in de beteekenis van: verkeerd, in de uitdrukking: doar bin ie mis in = daarin vergist gij u, gij hebt het mis. Zegswijs: mis, Mans! elk meldt fieftîg oet zien ijgen bouktje, fig. = ik laat u niet in mijne kaart kijken. Vergist iemand zich, grijpt hij bv. mis, dan zegt men schertsend: mis, pestoor! ’t kind zel Harm hijten.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
mis , mis , (bijwoord) , Zie de wdbb. – Ook bijvoeglijk naamwoord in de uitdr. ’t is een misse boel, ’t is in de war, de zaak is mislukt. Vgl. misje en zie FRANCK 638 op mis-. – Zie de samenst. misblijdig, misdobbelen.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
mis , mis , (godsdienstige plechtigheid) in: ’t fiene van de mis weten willen = ’t fijne van de zaak willen weten. Ook wel elders.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
mis , mis , mis. ’t Is nen missen: het is mislukt
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
mis , mis , v , zingende (stille) mis gezongen (stille) mis.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
mis , mis , bijvoeglijk naamwoord en bijwoord , in de zegswijze ’t is ’n misse boel, het staat er slecht voor, de zaak is mislukt. – ’t Is mis mit de bloemkoôl, zie de vorige zegswijze – Deer is gien mis op, dat kan niet missen.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
mis , mis , zelfstandig naamwoord de , Heilige mis, in de zegswijze de zingende mis, de gezongen mis, de hoogmis.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
mis , de uurste mis , de eerste H. Mis van de neomist in de parochie van herkomst.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
mis , mis , zelfstandig naamwoord , Mis. Er waren (en zijn) de lezende Mis (gelezen) en de zingende Mis (gezongen). In ’n Meziekmis wordt meerstemmig gezongen in tegenstelling tot de eenstemmige Gregoriaanse Mis. Huwelijksmissen en uitvaartmissen waren er in diverse categorieën: gewoon, plechtig, solemneel (een Mis met “drie Heren”) en een solemnele Mis met assistentie (vier Heren). De Hoogmis werd de Lèste Mis genoemd. Die werd altijd gezongen, er werd fors in gepreekt en duurde lang. De Lèste Mis duurde een stuk langer dan het Lof, een middagplechtigheid ter eer van de Eucharistie. Het is dus de omgekeerde wereld als het Lof langer is as de Lèste Mis. Dat zei men van een meisje wier onderrok afzakte; wat het kortst moest zijn was het langst. Na de Lèste Mis werd er stondebins voor de kerk heel wat afgebuurt. Een aantal boeren trok naar de Ketel (thans De Zwaan), een aantal burgers naar Ant Hees (thans De Ouwe Kuyp) en het vurnaom dronk in De Valk (thans Postkantoor) z’n wekelijkse borreltje(s). Zie ook: Halfseuvesemis. Zegswijze: De pestoor doe gin tweej Misse vur ’t zèlfde gèld. Dit antwoordt men als iemand je vraagt om iets nog ’n keer te doen.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
mis , misse , mis.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
mis , mis , misse , de , missen , (r.-k.). Ook misse (Zuidwest-Drenthe, veengebieden Oost-Drenthe) = H. Mis Heeroom komp zundag de misse opdragen (Coe), Hij mus de mis dainen misdienaar zijn (Eco), Die haar ok een misse voor hem/haar werd een mis opgedragen (Klv), Wie hebt veur hum een misse laoten lezen laten opdragen (Bov)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
mis , mis , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , 1. niet raak Hie schoot op een dikke knien, mor het was mis (Eex), Het was zowied mis as van het oosten naor het westen (Sle) 2. onjuist, fout Elk mug raoden, maor elk har ’t mis (Eex), Hie zee dat het helpen zul, maor hie is der good mis met (Gas), Mis poes, ie zit er in (Koe), Je heurt gien mis woord van hum verkeerd (Pdh), As det zo mut, wordt het een misse bool loopt het verkeerd af (Rui) 3. ernaast Die haas kun niet mis kon je niet missen (Sle), Pas op daj niet mis stapt, het is een holle ledder (Hijk), Die koe lag dood in de stal en hie har nooit gien mis maol had had nooit iets gemankeerd (Sle), z. ook mismaol 4. niet in orde Het is weer mis mit heur, zie krigt er weer eine bie is zwanger (Erf), Het is weer mis met de aole baos, hij lig de hele dag op berre (Hijk) 5. in niet mis wezen niet gering zijn Dat is niet mis, waj door veur dat vool kregen hebt (Eev) *Beter een misse loop as een misse koop (Bco); Op een misse volgt een wisse de volgende keer gaat het zeker goed (Hgv)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
mis , mis , de , misslag Vaste dat daor kiewietseier ligt, daor is gien mis op dat kan niet missen (Flu), Het giet die lu tot heden aaid goed, der is gien mis bij (Oos), Zo’n goeie vakman, der is gien mis bij (Pes), Ik zal het fiene van de misse wel naoder heuren het fijne van de zaak (tl)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
mis , mist , bijwoord , mis. ’t Is mist ‘het is mis’
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
mis , misse , slecht, verkeerd. ’t Is ’n misse boel daor, ’n glad vekeerd zaekien.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
mis , misse , kerkdiensten , D'r zén alderhande misse, 'n vruuge, laote, stille, gezónge of 'n hógmis. Er zijn verschillende kerkdiensten, een vroege, late, stille, gezongen of een hoogmis.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
mis , misse , mis , zelfstandig naamwoord , de; mis (in de kerk)
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
mis , mis , uitdrukking , ’t Was raokende mis Het was bijna raak (letterlijk: rakend mis)
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
mis , misse , zie: miskraome.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
mis , misse , (zelfstandig naamwoord) , mis, eucharistieviering.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
mis , mies , mis, niet raak, ernaast , da’s mies = dat is niet raak- ge zit mies = je zit ernaast- hij schoot twee kjeere op n’n haos, mar ’t was nog mies = hij schoot twee keer op een haas, maar het was nog niet raak- ; mest;
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
mis , mies , missen , Heilige Mis-missen de mies doen = de mis opdragen- de pestoor dee de mies = de pastoor droeg de mis op- vroeger deje ze iederen dag nog twee miesse, m
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
mis , mis , misse, misje, misser, misjen, missert , miskraam.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
mis , mies , bijvoeglijk naamwoord , onwel (West-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
mis , mès , (vrouwelijk) , mèsse , mèske , H. Mis , Es de preester gewiedj waas, deej d’r zien ieëste mès in ’t eige dörp. Ein mès bestèlle vuuer de jaordeens(t). Ein mès mèt drie hieëre. Hae kreeg nog ei mèske nao: hij kreeg alsnog een uitbrander.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
mis , mis , zelfstandig naamwoord , mis (r-k. kerkdienst); Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) -  hij gao de liste mis afzègge (Pierre van Beek –  Tilburgse Taalplastiek 1970) - gezegd van iemand wiens broek te laag hangt; Cees Robben – [Priester:] Moet ik de Prefatie zingen, köster..? [Koster] Nèè, paoter, ’t is vandaog ’n stille mis... We zingen aleen mar wè möpkes... (19810619); Cees Robben – Mee ’n miske beklonken. (19791130); Frans Verbunt -  et schiet nie op, et lèèkent wèl en mis meej drie heere; Frans Verbunt -  de pestoor doe ok gin twee misse vur êen gèld; WBD (III.3.3:117+) vruugmis, vissersmiske, liste mis, geleeze mis, stil miske, hôogmis, gezonge mis, zingende mis, Latijnse mis, sweekse mis, kèndermis, schoolmis, rouwmis, dôojemis
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal