elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: misval

misval , misval , (nederlaag); in misval komen = tot lageren stand geraken, hun geld of middel van bestaan verliezen en zoo tot armoede vervallen; dei fermilie is hijlendal in misval komen; zij harren in 1877 ʼn groote ploats koft, en dou ze dei in 1890 verkoopen mōssen, houlen ze niks over.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
misval , miesval , misval , zelfstandig naamwoord , miskraam (West-Brabant); misval; miskraam (Tilburg en Midden-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
misval , [miskraam] , misval , (mannelijk) , miskraam, zie ook miskraom , Die vrouw haet eine misval gehadj.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal