elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: mof

mof , moffe , (vrouwelijk) , mof (verklw. müfken).
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
mof , mōf , Vergelijking: swiegen as ʼn mōf = niets verklappen; ook: op eene aantijging het zwijgen bewaren.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
mof , mōffen , soort van handschoenen met halve vingers (Ommelanden); in ʼt Oldampt zoowel = koffen, en: knōffels, als mōffen. Noord-Brabantsch moffels = boerenwanten, Nedersaksisch müffkens; Oostfriesch muf, Hoogduitsch Muff, Nederduitsch muffe, muf, IJslandsch muffa, Middeleeuwsch Latijn muffula, Fransch moufle, van het Oud-Friesch mowe, Middel-Nederduitsch mouwe = armbedekking; mōffen dienen tot bedekking van een deel der hand en van den benedenarm.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
mof , mof , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , vgl. spekmof.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
mof , moffe , [mofǝ] , vrouwelijk , mof
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
mof , [Geldersman] , mof , Gelderse mof, scheldwoord voor een Geldersman (1893).
Bron: Beets, A. (1954), ‘Leidse woorden en uitdrukkingen’, in: Bicker Caarten, A. (red.), Leids Volksleven, Leiden: Sijthoff
mof , Mof , Duitser (scheldwoord in/na de 2e wereldoorlog.)
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
mof , móf , handwermer ánne fiets; Pruus tusse ’40 - ’45.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1989), È maes inne taes. Plat Hôrster, Horst.
mof , móf , mof, koker van bont waarin men beide handen steekt.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
mof , móf , scheldbenaming voor een Duitser.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
mof , mof , de , moffen , Duitser, vooral gebruikt in en na WO II en dan veelvuldig als scheldwoord. Veur 1940 leupen de moffen hier um zenden te verkopen (Wsv), De moffen hebt mij in de oorlog de fietse of esteulen (Dwi)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
mof , mof , moffe , de , moffen , Ook moffe (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents veengebied) = 1. losse mouw, veelal verkl. Bedoeld is dan het mofje om de pols, vaak met kralen versierd en aangepast voor de gelegenheid, bijv. zwart bij rouw. Kinder hadden zwarte moffen tot over de elleboog, die achter de rugge deur een band met mekaar verbunden waren (Sle), Een mof was een ding van bont, vaastbonden om de nak (Pei) 2. koker van bontwerk om de handen warm te houden De veurname vrouwlu dreugen vrogger een moffe (Koe), Vrogger zag ie wal moffen an het stuur van de fietse (Nam) 3. handschoen zonder vingers Moffies bint haansen, die de toppen van de vingers bloot laot (Hgv) 4. brede ring of verwijd uiteinde op buizen of pijpen De moffen um de gasbuizen waren te krap (Pes) 5. deel van de ploeg a. De mof of slof zit aachter an de pan van de plooug. Aj an het ploougen bint, moej oppassen daj der niet op trapt (Eex) b. De mof was de struppe, woor as het veurploegie in mus (Hijk), De mof zat direkt achter de beugel (Ndo) 6. deel van het paardentuig a. koker om de zijstreng om de buik van het (drachtige) paard te beschermen (niet Veenkoloniën) Een goeie boer har een mof um de strengen (Wee), z. ook koker b. In de mof van de peerdezel hangt het ienspan (Scho) 7. strotrippen voor een paard om wegzakken op natte gronden te voorkomen (vooral in veengebieden) Moffen veur het peerd wuurden van stro vlöchten met vier oetenden, waor de riem deurkwam (Scho)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
mof , mof , handwarmer, van bont gemaakt, die aan het fietsstuur zit.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
mof , moffe , (Gunninks woordenlijst van 1908) mof
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
mof , moffe , mof.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
mof , moffe , mof , zelfstandig naamwoord , de 1. bep. koker van bont om de handen in warm te houden 2. vuisthandschoen of halve handschoen 3. handbeschermer op een rijwiel 4. leren huls, koker om de strengen van het paard, nl. daar waar de huid van het schuren te lijden kan hebben 5. soort strop of beugel waarmee bep. onderdelen van een ploeg worden vastgezet 6. hetz. als het strophoolt bij een paard, d.w.z. bij een tweespan 7. brede ring ter verbinding van twee pijpen, buizen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
mof , môf , môffe , handwarmers (fiets)
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
mof , mof , handwarmer, een rol (losse mouw) van bont of wol gemaakt, een handwarmer werd door vrouwen gebruikt (boerinnen en middenstandsvrouwen) waarbij ze beid , doe d’unne mof aon want ’tis jil kou en aanders krijde kouwaande = doe een mof aan want het is heel koud en anders krijg je koude handen- ; Duitser, in de oorlog noemden wij Duitsers ook moffen, dat was een minder vriendelijk woord voor de Duitse bezetter;
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
mof , mof , moffe , aardbei-aardbeien, een prachtig Biks woord voor deze lekkere vruchten , zouwe-nur al moffe zijn? = zouden er al aardbeien zijn?- nije nog nie, mar ’t zal nie lang mjir dure = nee nog niet, maar het zal niet lang meer duren- moffe plukke waar vruger ’n kwaoj wèruk, want daor kreeg-dut flienk van in oewen rug = aardbeien plukken was vroeger slecht werk, want daar kreeg je het behoorlijk van in je rug
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
mof , moffe , zelfstandig naamwoord, meervoud , bepaald soort vlezige aardbeien (West-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
mof , móf , (mannelijk) , móffe , mufke , 1. mof, handwarmer 2. Duitser (scheldwoord) 3. mof, verbinding tussen draden of pijpen , Vreuger droge de vrouwe dèks eine móf inne wintjer.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal