elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: mondfiat

mondfiat , mondfiat , goedgebekt.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
mondfiat , mòndfiejat , bijvoeglijk naamwoord , mondfiat, welsprekend.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
mondfiat , móndfiat , snelle babbel , Dé méske is móndfiat, die môk'te niks wéijs, die prôt'te nie gemak verlórre. Dat meisje heeft een snelle babbel, die maak je niets wijs, die praat je niet onder de tafel.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
mondfiat , móndfieat , rap kunnende praten , , móndfieat is ie zat, mèr wêrke, hoow mèr! Ja, rap praten kan hij goed, maar als het op werken aankomt, ho maar!
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
mondfiat , mondfiat , bijvoeglijk naamwoord , welbespraakt (Den Bosch en Meierij; Eindhoven en Kempenland; Helmond en Peelland; Tilburg en Midden-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
mondfiat , mondfieat , mondfiejat , bijvoeglijk naamwoord , welbespraakt; Felix Dóndera was wèl móndfiejat. - Felix Donders kon goed praten. WBD III.3.1:295 'mondfiat' = welbespraakt; Bont móntfijat, bijvoeglijk naamwoord  - mondfiat, over een flux de bouche beschikkend Biks 'mòndfiejat' bijvoeglijk naamwoord  - mondfiat, welsprekend; Bosch mondfiat – welbespraakt; + Den Bosch, Meierij, Gilze Rijen, Made
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal