elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: moos

moos , moos , (vrouwelijk) , grachtje tot waterafvoer van ’t water enz. der goot. Oudtijds was mose, slijk. Hiervan bestaat de spreekwijze: moos hebben, voor geld hebben, welvaren
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
moos , moos , mozes , voor: geld. Behoort tot het Jodenduitsch, en staat voor: Mozes, wat volledig luidt: Mozes en de profeten = veel geld; ook Holsteinsch, enz.
mozes voor: geld; hij het mozes genōg. Zie: moos, en vgl. Laurill. bl. 12, en Zeeman bl. 386.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
moos , moos* , ook vermeld bij Laurillard, Bijbel en Volkstaal, bl. 12.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
moos , moos , zelfstandig naamwoord , keuken, afvalwater. 1. Oude benaming voor keuken. 2. Afvalwater uit de keuken. Dat liep naar buiten door het moosgat en kwam via de moospèèp in het moosputje of ’t moosköltje terecht.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
moos , môôs , keuken , bij ôôs op de môôs = bij ons in de keuken- ;op de môôs = in de keuken- dus niet in, maar op de môôs, hetzelfde geldt voor het wonen op de Beek en niet in de Beek. Wij hadde mar ’n jille klène môôs, maar we zatenur wel elleken dag mee elleve in te ete = we hadden maar een klein keukentje, maar we zaten er wel iedere dag met elf mensen te eten-
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
moos , moos , zelfstandig naamwoord , bijkeuken (West-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
moos , moos , zelfstandig naamwoord , "keuken (op de boerderij); drek; R drassige plaats waar het afvalwater van het huiswerk terechtkwam uit de 'goot'; WBD bijkeuken (op de boerderij), ook 'goot' genoemd; of 'washèùs' of 'aachterhèùs'. Hs K 183 geeft 'moos'; WBD moozegoot - vuilwatergoot (goot of greppel, waardoor het water uit de keuken en ander vuil water afvloeit naar de zinkput); Hasselt: goowt; Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) -  den dieje kan ik wel zwêeten óp en kaaw moos (D'16) - die kan ik wel zweten? op een koude achterkeuken (z. a. op 'geut'); Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) -  van en kaaw moos koome (D'16)-van een koude achterkeuken komen = van een koude kermis thuiskomen (moos = ruimte achter den herd) N. Daamen - Handschrift 1916 – ""moos - boeren achter keuken""; ANTW. MOOS (zachte o) zelfstandig naamwoord v. - achterplaats in de boerenhuizen, waar afgewassen wordt. MOOS (zachte o) zelfstandig naamwoord m. - modder, slijk, Fr.boue. J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - MOOS voor Vuilnishok, voor die aan de keuken grenzende plaats, welke men elders het vaathok noemt. Het woord is van hoogen oorsprong. Mws is, in het Wallisch, foetidus, putidus, vapidus. Verh. MOOS (soms: mouws) m - modderige, open afvoer van waswater en andere vloeibare ongerechtigheid. Verwant met 'modder' en 'moeras'. Biks moos zelfstandig naamwoord  - keuken, afvalwater; WNT MOOS (I) 2) Ook als naam voor de plaats waar het vuil langs gaat; thans nog: plaats waar het vaatwerk wordt gewasschen. WBD III.3.1: 'moos aan de knieën hebben' = rijk zijn"
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal