elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: mottig

mottig , [pokdalig, door mot beschadigd] , mottig , pokdalig. Ook voor vuil, in welken zin het oudtijds veel gebruikt werd.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
mottig , mattig , (bijvoeglijk naamwoord) , Mottig, door de mot beschadigd. Weinig gebruikelijk. – Zie mat II. || Twee roode mattighe spreeties (spreien), Hs. (O.-Zaandam, a° 1670), prov. archief.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
mottig , mottig , mokkig , mistig.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
mottig , mottig , bijvoeglijk naamwoord , 1. morsig, voortdurend knoeiend 2. regenachtig, druilerig
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
mottig , mottig , mistig
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
mottig , mottig , (bijvoeglijk naamwoord) , (verouderd), pokdalig.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
mottig , motteg , bijvoeglijk naamwoord , mistig (Land van Cuijk)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
mottig , [heet ] , mottig , mottiger, mottigst , 1. drukkend heet 2. onverzorgd , Mottig waer.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal